ECLI:NL:RBZWB:2025:3312
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.470 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt eerst of het mandaatverbod bij de uitspraak op bezwaar is geschonden, vervolgens de juistheid van de naheffingsaanslag en ten slotte de vraag of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat het mandaatverbod niet is geschonden, omdat de uitspraak op bezwaar door een andere functionaris is gedaan dan degene die de naheffingsaanslag heeft opgelegd. De naheffingsaanslag is niet te hoog vastgesteld; de rechtbank volgt de inspecteur in het niet erkennen van een waardevermindering wegens schade, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd. Ook wordt geen rekening gehouden met andere waarde verminderende factoren.
De redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar is met ongeveer zeven maanden overschreden. Daarom kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe, waarvan €714 voor rekening van de inspecteur komt en €286 voor rekening van de Staat. Tevens worden proceskosten voor de rechtsbijstand toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de immateriële schadevergoeding wordt toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.