De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van de erfgenaam tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2021. De erfgenaam, als enig erfgenaam van de overledene, had bezwaar gemaakt tegen de aanslag die was opgelegd op basis van de ingediende aangiften waarin was gekozen voor fiscaal partnerschap over het gehele jaar en een bepaalde onderlinge verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. De erfgenaam stelde dat de onderlinge verhouding en de keuze voor fiscaal partnerschap gewijzigd konden worden. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 de onderlinge verhouding en de keuze voor fiscaal partnerschap niet meer gewijzigd kunnen worden nadat de aanslag onherroepelijk is geworden.
Omdat de aanslagen van zowel de erflater als de erfgenaam onherroepelijk vaststaan, is het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de erfgenaam krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.