Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het CBR om hem een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen, naar aanleiding van een melding van suïcidaal gedrag op een brug. De politie had vastgesteld dat eiser had gedreigd van de brug te springen vanwege een conflict met het CBR.
De rechtbank oordeelt dat het CBR terecht twijfelde aan de geestelijke geschiktheid van eiser vanwege ernstig gestoord inzicht en abnormale opwindingstoestanden, zoals beschreven in het proces-verbaal. Hoewel eiser ontkent de uitlatingen te hebben gedaan, is hij er niet in geslaagd tegenbewijs te leveren dat het proces-verbaal onjuist is.
Het feit dat eiser later rijgeschikt werd verklaard doet niet af aan het procesbelang. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. De rechtbank bevestigt dat het CBR verplicht was het onderzoek op te leggen op grond van de wettelijke bepalingen en beleidsregels.