ECLI:NL:RVS:2020:1574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing rijbewijs na vaststelling alcoholgebruik en opleggen geschiktheidsonderzoek
Op 27 april 2019 werd appellant aangehouden tijdens een alcoholcontrole en bleek zij een ademalcoholgehalte van 915 µg/l te hebben, ruim boven de wettelijke grens van 785 µg/l. Op basis hiervan heeft het CBR haar verplicht gesteld mee te werken aan een onderzoek naar haar rijgeschiktheid en haar rijbewijs geschorst. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, onder meer omdat het ademanalyseticket aanvankelijk niet beschikbaar was en het proces-verbaal niet volledig ingevuld zou zijn.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep oordeelt de Raad van State dat het CBR terecht is uitgegaan van het proces-verbaal en het ademanalyseticket, dat later alsnog werd overgelegd. Het verschil in alcoholgehalte tussen het proces-verbaal en de boetebeschikking van het CJIB doet niet af aan het vermoeden van ongeschiktheid. Daarnaast is het opleggen van het geschiktheidsonderzoek een bestuursrechtelijke maatregel gericht op verkeersveiligheid, los van strafrechtelijke procedures.
Verder is overwogen dat persoonlijke omstandigheden, zoals het belang van appellant bij het gebruik van haar rijbewijs voor werk, geen grond bieden om af te zien van het onderzoek of de schorsing. Ook het feit dat appellant tijdens de schorsing een brommer mag besturen is wettelijk bepaald en kan niet worden betrokken bij de beoordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot schorsing van het rijbewijs en opleggen van een geschiktheidsonderzoek wordt bevestigd.