ECLI:NL:RBZWB:2025:3452
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ZW-dagloon bij uitbreiding dienstverband zonder nieuwe arbeidsovereenkomst
Eiser werkte vanaf 1 augustus 2021 bij een stichting als docent LB voor 0,2 fte, waarna zijn dienstverband per 1 februari 2022 werd uitgebreid naar 0,8 fte. Hij werd op 15 maart 2022 arbeidsongeschikt en het UWV stelde zijn dagloon vast over de periode van 1 augustus 2021 tot 31 januari 2022 op €31,49. Eiser betwistte dit en stelde dat er sprake was van een nieuwe dienstbetrekking vanaf 1 februari 2022, waardoor het dagloon op basis van de hogere fte berekend moest worden.
De rechtbank oordeelde dat er geen nieuwe arbeidsovereenkomst was ontstaan, maar slechts een tijdelijke uitbreiding van het bestaande dienstverband. Dit bleek uit het ontbreken van wezenlijke verschillen in taken, arbeidsvoorwaarden en loon, en uit het feit dat beide periodes onder hetzelfde loonheffingennummer vielen. De rechtbank volgde daarmee de lijn van de Centrale Raad van Beroep in vergelijkbare zaken.
Eiser voerde ook aan dat de berekening in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en tot onaanvaardbare gevolgen leidde. De rechtbank verwierp dit beroep omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor het hanteren van het dagloon op basis van de dienstbetrekking waaruit de ziekte voortkomt. Bovendien waren de financiële gevolgen voor eiser niet zodanig onredelijk dat hiervan kon worden afgeweken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV om het dagloon vast te stellen over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 31 januari 2022. Eiser had geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het ZW-dagloon wordt ongegrond verklaard en het dagloon blijft vastgesteld over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 31 januari 2022.