In deze bestuursrechtelijke zaak betwist belanghebbende de hoogte van de dwangsom die de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen heeft vastgesteld na een ingebrekestelling. De rechtbank oordeelt dat de dwangsom te laag is vastgesteld en verhoogt deze van €299 naar €322, omdat de heffingsambtenaar 14 dagen in gebreke was.
Daarnaast is onomstreden dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn stelling dat op grond van een recent arrest van de Hoge Raad de vergoeding per punt hoger moet zijn dan eerder toegekend. De vergoeding wordt daarom verhoogd van €620 naar €1.294 voor de bezwaarfase. Voor de beroepsfase wordt een vergoeding van €11,34 toegekend, rekening houdend met een samenhangfactor vanwege gelijktijdige behandeling van zes zaken.
Belanghebbende verzocht ook om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van circa drie maanden, maar wijst de schadevergoeding af omdat het financiële belang van belanghebbende niet hoger is dan €1000, waardoor geen sprake is van aannemelijke spanning of frustratie.
De rechtbank vernietigt de dwangsombeschikking en het deel van de uitspraak op bezwaar dat betrekking heeft op de proceskostenvergoeding, bevestigt de rest van de uitspraak op bezwaar, en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van de dwangsom, proceskostenvergoedingen en griffierecht aan belanghebbende.