Belanghebbende stelde bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij opgelegde onroerendezaakbelasting. Na een ingebrekestelling stelde de heffingsambtenaar een dwangsombeschikking vast, waarvan de hoogte van de dwangsom betwist werd door belanghebbende. De rechtbank oordeelt dat de dwangsom te laag is vastgesteld en verhoogt deze naar € 1.127.
Belanghebbende verzocht tevens om een kostenvergoeding in de bezwaarfase, maar aangezien het bezwaar ongegrond werd verklaard en de dwangsombeschikking onderdeel werd van de beroepsprocedure, wijst de rechtbank geen kostenvergoeding toe voor bezwaar. Wel wordt een proceskostenvergoeding toegekend voor de beroepsfase, waarbij rekening is gehouden met samenhang van meerdere zaken.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van circa drie maanden, maar kent geen vergoeding toe omdat het financiële belang minder dan € 1000 bedraagt. De rechtbank wijst het beroep toe voor zover het de dwangsombeschikking betreft en wijst de proceskostenvergoeding toe met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ.