Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de waardebepaling van zijn woning en de daarbij opgelegde onroerendezaakbelasting (OZB). Tevens is beroep ingesteld tegen een dwangsombeschikking die verband houdt met een ingebrekestelling wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de dwangsombeschikking onjuist is vastgesteld omdat de heffingsambtenaar 35 dagen in gebreke was, waardoor de dwangsom hoger moet zijn dan vastgesteld. De dwangsombeschikking wordt daarom vernietigd. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt ongegrond verklaard.
Belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar dit wordt afgewezen omdat het financiële belang niet boven de drempel van € 1000 ligt. De rechtbank kent wel een proceskostenvergoeding toe voor de beroepsfase, waarbij rekening wordt gehouden met samenhang van meerdere zaken en toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ.
De proceskostenvergoeding en het griffierecht worden aan belanghebbende toegekend en moeten rechtstreeks aan hem worden betaald. De rechtbank wijst verzoeken af die zien op betaling aan de gemachtigde. De uitspraak is openbaar en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.