Uitspraak
[verweerder],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft verzoeker, een B.V., op 20 december 2024 een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verweerder, die sinds 22 augustus 2023 arbeidsongeschikt is. Tijdens de mondelinge behandeling op 14 april 2025 werd duidelijk dat de goederen van verweerder onder bewind waren gesteld, maar de bewindvoerder was niet als procespartij opgenomen in het verzoekschrift. De kantonrechter heeft verzoeker erop gewezen dat de bewindvoerder in de procedure betrokken moest worden. Na het indienen van een aangepast verzoekschrift heeft verzoeker op 16 juni 2025 de procedure ingetrokken. Verweerder heeft daarop verzocht om verzoeker in de proceskosten te veroordelen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt, omdat de procedure vertraging heeft opgelopen door het niet tijdig betrekken van de bewindvoerder. De kantonrechter heeft verzoeker veroordeeld tot betaling van € 1.150,00 aan proceskosten, te vermeerderen met de kosten van betekening, en heeft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.