Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het projectplan van het waterschap Brabantse Delta voor maatregelen tegen wateroverlast op een bedrijventerrein nabij de percelen van eiser. Eiser betoogde dat het projectplan nadelige, niet-tijdelijke gevolgen voor zijn percelen heeft, onvoldoende is onderbouwd en dat alternatieve maatregelen onvoldoende zijn overwogen.
De rechtbank beoordeelde het projectplan aan de hand van het oude recht, waaronder de Waterwet en de Crisis- en herstelwet, omdat het plan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. Het plan beoogt de kans op wateroverlast te verkleinen door diverse waterstaatswerken aan te passen en uit te breiden.
Hoewel bij extreme weersomstandigheden (eens in de vijftig jaar en vaker) een verslechtering van inundatie op de percelen van eiser optreedt, is dit door verweerder als waarschijnlijk tijdelijk gemotiveerd. Na het besluit bleek dat de verslechtering niet tijdelijk is, maar de rechtbank achtte dat verweerder in redelijkheid het algemeen belang mocht laten prevaleren boven het belang van eiser. De voorgestelde alternatieve maatregelen zijn door verweerder gemotiveerd als niet uitvoerbaar of nadelig voor het bedrijventerrein.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek van eiser om griffierecht en proceskostenvergoeding af. De uitspraak bevestigt dat beleidsvrijheid en belangenafwegingen bij projectplannen een terughoudende rechterlijke toetsing vereisen.