De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken tegen het UWV over de toekenning van WGA-uitkeringen aan een werkneemster. De kern van het geschil betrof de vraag of de werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het UWV had besloten dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, wat door eiseres werd bestreden.
De medische beoordeling van het UWV was gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die stelde dat verbetering van de belastbaarheid nog mogelijk was door aanvullende behandelingen. Eiseres voerde aan dat deze beoordeling onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat er geen overleg was geweest met behandelend artsen en de kans op herstel niet concreet was onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig genoeg was en dat de motivering van het UWV niet voldeed aan de verzwaarde motiveringsplicht die geldt bij werkgeversberoepen.
De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en bepaalde dat het UWV nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eiseres vergoed en werd het UWV veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank zag geen aanleiding tot het toepassen van een bestuurlijke lus en legde de nadruk op nader medisch onderzoek en overleg met behandelaars.