Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
[B.V. 1],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 2],
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 3],
1.[persoon] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 4],
1.De procedure
2.De feiten
20 bedrijfsruimtes aan de [straat] te [plaats 2] voor een bedrag van
€ 3.600.000,00.
€ 8.167.500,- een bedrag van € 4.425.689,- daadwerkelijk uitgekeerd aan [B.V. 11] en is € 3.600.000,- verrekend met een vordering van [B.V. 9] uit hoofde van een geldlening van [B.V. 9] aan [B.V. 11] .
€ 3.600.000,- ontvangen uit hoofde van een leningsovereenkomst die [persoon 1] en [B.V. 11] diezelfde dag hebben gesloten. In een hypotheekakte van 15 december 2014 heeft [persoon 1] aan [B.V. 11] als zekerheid voor deze lening een recht van hypotheek verleend op de 20 bedrijfsruimtes aan de [straat] .
3.Het geschil
8 november 2015 (productie 6) te verstrekken aan [persoon 1] in de wetenschap dat deze als bewijs zou worden gebezigd in de geschillen met [groep 1] ;
.[persoon] en [B.V. 4] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan [groep 1] van de schade wegens de door hen gemiste kans tot het verwerven van de GreeNS in 2014, door deze te veroordelen om aan de eisers te betalen de somma van € 10.047.657,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2014 (althans de vaststelling van de schade vermeerderd met rente te verwijzen naar de schadestaatprocedure); en
4.De beoordeling
7 december 2022 zijn de vorderingen tegen [B.V. 4] verjaard. In dit kader voert [B.V. 4] aan dat zij door het tijdsverloop ernstig wordt benadeeld in haar mogelijkheden om verweer te voeren mede omdat zij geen administratie meer bezit.
8 november 2015 waarin [persoon] vragen van de advocaat van [persoon 1] beantwoordt. [B.V. 1] betoogt dat in de gerechtelijke procedures door [persoon 1] en [groep 2] schriftelijke verklaringen van [persoon] - afgegeven op briefpapier van [persoon 6] - als bewijs zijn overgelegd. Die verklaringen zijn specifiek aan [persoon 1] afgegeven om diens procedure tegen [B.V. 1] voor [persoon 1] gunstig te beïnvloeden.
“Ik begreep van [persoon] , dat de discussie vooral ging om de opbrengst kant van de gronden en dat uit hun business case diverse gebruiken mogelijkheden van de grond naar voren kwamen”.
“hij allemaal zelf moet weten wat hij doet maar dat ik me op [B.V. 9] richtte”. Reeds hieruit volgt wetenschap van [persoon] van de dubbelrol die [persoon 1] in de GreeNS tender vervulde. In het licht hiervan verwerpt de rechtbank de bewering van [persoon] dat hij niet geweten heeft van de dubbelrol van [persoon 1] .
[persoon] , ik heb er met [persoon 4] naar gekeken en e.e.a. kan zo verstuurd worden. Verder blijkt uit productie 47 dat de NS bij e-mailbericht van 27 oktober 2014 met betrekking tot het punt van zekerheden GreeNS onder meer aan [persoon 4] vraagt:
18 april 2014 een organogram met de naam “Structuur samenwerking tender.xlsx (zie productie 12 [B.V. 1] ) had gemaakt waarin staat hoe de GreeNS tender verdeeld gaat worden. Deze organogram heeft [persoon] op 29 augustus 2014 met als onderwerp GreeNS aan Drunen en in de cc naar het e-mailadres van [B.V. 7] gestuurd. [persoon] heeft verklaard dat het organogram gezien moet worden als gedachtenspinsels tussen [persoon 1] , [persoon 4] en hemzelf voor het geval de tender zou worden binnengehaald. De rechtbank is van oordeel dat [persoon] - na bekendheid dat [persoon 1] namens [B.V. 1] gesprekken met de NS voerde over de GreeNS tender en niets met deze informatie heeft gedaan - samen met [persoon 1] en [persoon 4] betrokken is gebleven om de GreeNS ten behoeve van [B.V. 9] binnen te halen. De passieve houding van [persoon] leidde ertoe dat [persoon 1] en [persoon 4] hun handelingen en activiteiten konden voortzetten. Hierdoor heeft [persoon] naar het oordeel van de rechtbank de onrechtmatige gedragingen van [persoon 1] en [persoon 4] ondersteund en het risico van schade bij [B.V. 1] aanvaard met alle schade van [B.V. 1] als gevolg.
4 november 2020 in een voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd. Volgens [B.V. 1] heeft [persoon] bewust feitelijke onjuiste verklaringen afgelegd, teneinde de processuele positie van [persoon 1] en [groep 2] te versterken en te bevorderen dat de waarheid omtrent de betrokkenheid van [persoon 1] bij de verwerving van de GreeNS portefeuille niet aan het licht zou komen.
8 november 2015 verklaart dat geen derden noch [persoon 1] betrokken waren bij het verwerven van de GreeNS tender. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaring van
4 november 2020 en het e-mailbericht van 24 januari 2017. Gezien de context waarin voormelde verklaringen zijn gevraagd en gegeven (namelijk in het kader van een gerechtelijke aansprakelijkstelling van [persoon 1] en [persoon 4] ) had [persoon] het belang van het volledig en naar waarheid verklaren kunnen en moeten begrijpen. Hierin past naar het oordeel van de rechtbank niet dat [persoon] de gestelde vragen zo eng heeft kunnen en mogen interpreteren in de zin van dat hij de vraag zo heeft opgevat dat [persoon 1] niet betrokken was bij de gesprekken bij de NS en dat hij daarom de rol en betrokkenheid van [persoon 1] bij de GreeNS in zijn beantwoording geheel achterwege heeft gelaten en helemaal niet heeft benoemd. De door [persoon] afgelegde verklaring van 7 december 2017 dat hij niet wist dat [B.V. 1] en/of [persoon 1] betrokken was bij de GreeNS tender is in het licht van de feiten en omstandigheden evident onjuist. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [persoon] tijdens de mondelinge behandeling immers verklaard dat hij wist dat [B.V. 1] in 2014 en [persoon 1] omstreeks september/oktober 2014 betrokken was bij de GreeNS tender. Ook de verklaring van [persoon] dat hij [persoon 4] met [persoon 1] in contact heeft gebracht nádat [B.V. 9] de GreeNS tender had verworven, is in het licht van de vaststaande feiten en omstandigheden onjuist. Daarbij betrekt de rechtbank de vaststelling van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in r.o. 2.3 van het arrest van
28 februari 2023 dat [persoon 4] persoonlijk op de hoogte was van de dubbelrol van [persoon 1] als adviseur van [B.V. 1] , dat [persoon 4] persoonlijk met [persoon 1] heeft samengespannen en aldus persoonlijk wist of behoorde te begrijpen dat [B.V. 1] van zijn handelen nadeel zou ondervinden waar het haar kansen in de tenderprocedure betreft en dat [B.V. 1] hierdoor schade zou leiden. Gelet hierop en gezien de nauwe betrokkenheid van [persoon] bij [groep 2] met betrekking tot het verwerven van de GreeNS tender had [persoon] de aan hem voorgelegde vragen naar juistheid en volledigheid dienen te beantwoorden. Naar het oordeel van de rechtbank kan [persoon] tegenover de concreet onderbouwde stellingname van [B.V. 1] niet volstaan met de enkele betwisting dat hij geen onjuiste verklaringen afgelegd, dan wel hoe hij de aan hem gestelde vragen heeft geïnterpreteerd. Naar het oordeel van de rechtbank had hij zijn betwisting deugdelijk moeten motiveren.
beslissing)
,begroot op 3/4 punt salaris advocaat.