Eiser heeft voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat op een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eerder had de rechtbank in uitspraken van 5 augustus 2024 en 7 mei 2025 al geoordeeld dat de minister binnen een bepaalde termijn moest beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de minister ook na de laatst gestelde termijn geen besluit heeft genomen. Omdat de rechtbank in haar eerdere uitspraak al een termijn had vastgesteld, was een ingebrekestelling niet vereist. De rechtbank verklaart het beroep dan ook kennelijk gegrond.
De minister wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 250,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-, conform het landelijke beleid.
Daarnaast moet de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek om een hogere dwangsom af en verklaart het beroep zonder zitting gegrond.