ECLI:NL:RBZWB:2025:8088

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
24/6287
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, zevende lid, Wet OB 1968Art. 14, eerste lid, Wet OB 1968Art. 67c AWRArt. 6:49 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting en vernietiging verzuimboete wegens pleitbaar standpunt

Belanghebbende, een fiscale eenheid, voerde een crediteurensanering door waarbij met concurrente crediteuren afspraken werden gemaakt over betaling van een deel van de openstaande facturen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting, belastingrente en een verzuimboete op.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van finale kwijting. De afspraken met crediteuren betreffen deels kwijtschelding en deels aanvullende betalingsafspraken zonder duidelijke waardering, waardoor niet kan worden aangenomen dat volledige betaling heeft plaatsgevonden.

De naheffingsaanslag en belastingrente worden verminderd vanwege een gewijzigd standpunt van de inspecteur. De verzuimboete wordt vernietigd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Daarnaast krijgt belanghebbende een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige bewijsvoering en juridische kwalificatie bij crediteurensaneringen in belastingzaken.

Uitkomst: De naheffingsaanslag en belastingrente worden verminderd, de verzuimboete vernietigd en belanghebbende krijgt immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6287

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., c.s., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.J.M. Lamers),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 30 augustus 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 108.588 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 7.836 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete opgelegd van € 5.514 (de verzuimboete).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de verzuimboete verminderd naar € 500. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking heeft de inspecteur gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting pleitnota’s overgelegd. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, in de persoon van [naam] , de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Belanghebbende heeft ter zitting een aanvullend stuk ingediend en ook een exemplaar daarvan verstrekt aan de inspecteur.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of de belastingrente terecht en tot een juist bedrag in rekening is gebracht. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank dient de naheffingsaanslag te worden verminderd. De belastingrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd. De verzuimboete is ten onrechte opgelegd en moet daarom worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Eind 2020 had belanghebbende moeite met het voldoen aan haar financiële verplichtingen.
4.1.
Belanghebbende heeft aan haar crediteuren een voorstel gedaan om haar schulden te saneren (de brief van 20 januari 2021). Hierover heeft belanghebbende haar crediteuren, voor zover hier van belang, als volgt geïnformeerd:

Gelet op de huidige schuldenlast van [belanghebbende] ontbreekt op dit moment enig reëel continuïteitsperspectief. We hebben echter een investeerder bereid gevonden die aan [belanghebbende] middelen ter beschikking wil stellen om boven beschreven hervormingsplan te realiseren en daarmee een continuïteitsperspectief te bieden. Een van de voorwaarden van deze investeerder is dat met alle concurrente crediteuren een oplossing wordt bereikt om de huidige schuldenlast sterk te reduceren, zodat we met een financieel gezonde onderneming de toekomst in kunnen gaan.
(…)
De investeerder is bereid om een bedrag ter beschikking te stellen aan ons om een oplossing te bereiken met elke schuldeiser. Dit stelt ons in staat 20% van iedere Openstaande Vordering te voldoen.
Voor u betekent dit dat op uw Openstaande Vordering van (…) een bedrag van EUR (…) betaald kan worden. Met ontvangst van laatstgenoemd bedrag dient uwerzijds aan [belanghebbende] BV finale kwijting te worden verleend. Het restant van uw Openstaande Vordering dient dan dus te worden kwijtgescholden. Een groter bedrag kan helaas niet aangeboden worden. Zoals eerder gemeld, vallen alle schulden die op of na 1 januari 2021 zijn ontstaan buiten dit voorstel en zullen we binnen de betalingstermijn voldoen.
U wordt hierbij verzocht om uiterlijk 29 januari 2021 in te stemmen met het voorliggende voorstel. U kunt dit kenbaar maken door bijgevoegde akkoordverklaring te ondertekenen en te retourneren (bij voorkeur gescand per e-mail). De betaling zal direct na het bereiken van overeenstemming worden uitgevoerd.
In de daarbij behorende akkoordverklaring staat het volgende:
“(…)
Verklaart per 31 december 2020 in totaal een concurrente vordering te hebben op [belanghebbende] B.V. ten bedrage van € […] (bedrag inclusief btw)
Verklaart hierbij tevens in te stemmen met het door [belanghebbende] aangeboden voorstel zoals verwoord in haar brief van 20 januari 2021 welk aanbod luidt:
Bedrag_______________________________________betaling
[…] 20% […]
(…)
Na betaling van het betreffende bedrag verleent ondergetekende aan [belanghebbende] B.V. onherroepelijk finale kwijting voor het restant van de hierboven vermelde vordering.”
4.2.
Belanghebbende heeft met een groot deel van haar concurrente crediteuren een akkoord bereikt over de sanering van schulden van belanghebbende die meer bedroegen dan € 1.000 en opeisbaar waren op 1 januari 2021.
4.3.
Met sommige crediteuren zijn aanvullende afspraken gemaakt. Tot de gedingstukken behoren zeven overeenkomsten die belanghebbende gesloten heeft met haar crediteuren. Voor zover thans van belang, zijn daarin onder meer de volgende afspraken opgenomen.
“SETTLEMENT AGREEMENT
(…)
[bv 1] BV declares that it has an unsecured claim on [bv 2] BV as of December 31, 2020 in the amount of EUR 482.686,53 (including VAT) according to the outstanding invoices (see attachment 1). [bv 2] BV declares that she is liable for that undisputed claim.
(…)
The payment of € 189.611,92 must be made without deduction/discount within 2 working days after signing this agreement.
After timely payment of the relevant amount and the payment hereinafter referred under A, [bv 1] BV grants full and final discharge irrevocably (finale kwijting) to [bv 2] BV for the remaining amount of the abovementioned claim. If the before mentioned payment and/or the payment hereinafter referred under A are not made timely, [bv 2] BV will be in default by operation of the law.
[bv 2] BV also declares that:
A. All the outstanding invoices of 2021 (at present) in the total amount of EUR
102.306,63 (see attachment 2) will be paid without deduction/discount within 2
working days after signing this agreement;
B. New orders will be paid upfront after receiving a pro forma invoice form [bv 1]
BV;
C. [bv 2] BV has signed a new purchase contract with [bv 1]
BV (attached);
D. [belanghebbende] and her subsidiaries will use her best effort to reduce a
minimum of € 1 million in debt. [bv 2] BV will provide information
about the total amount of debt reduction afterwards. However, no rights can be
derived from this.
E. [bv 2] BV will buy all of their cans from [bv 1] BV, as
long as [bv 2] BV sell products in cans, for the period of maximum 3
years (until 01-01-2024). Under the condition that the prices are normal market
prices.

Betreft: acceptatie voorstel crediteuren 20 januari 2021
(…)
Zoals afgesproken gaan wij accoord met uw voorstel met de volgende voorwaarden zoals
deze met u zijn overeengekomen:
1. Het door u genoemde bedrag van € 4786,69 is voor ons niet herkenbaar. Het bedrag wat
volgens ons openstaat is € 4900.46. (bestaande uit: facturen [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] en [factuurnummer 3] )
2. U verklaart dat bij onze instemming met uw voorstel u contractueel voor 2 jaar vastlegt om
bij ons uw drukwerk te bestellen, d.w.z. tot 1 februari 2023. (deze leveringen volgens
marktconforme prijzen)
3. De openstaande posten vanaf 1 januari moeten worden voldaan op uiterlijk 29 januari, t.w.
€ 7068.58 (facturen [factuurnummer 4] , [factuurnummer 5] , [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] ) waarna wij na ontvangst van de
betaling de ondertekende overkomst mailen en per post opsturen. (is op 28-01-2021 gedaan)
4. Totdat de [kredietverzekering] weer een limiet kan vaststellen op uw bedrijf,
moeten de etiketten bij toekomstige bestellingen voor aflevering worden betaald.

AKKOORDVERKLARING
(…)
Verklaart per 31 december 2020 in totaal een concurrente vordering te hebben op [bv 2] . ten bedrage van EUR 89.823,57 (bedrag inclusief btw).
Verklaart hierbij tevens in te stemmen met het door [bv 2] . aangeboden voorstel zoals verwoord In haar brief van 19 januari 2021 welk aanbod luidt:
(…)
Partijen hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:

Er is een afbetalingsregeling getroffen tussen partijen inzake bovenstaande voorstel. Deze afbetalingsregeling houdt in:
o
[bv 2] . zal van de totale openstaande vordering à € 89.823,57 een bedrag betalen van 45% = € 40.420,51. Dit bedrag wordt betaald om financiële problemen bij de telers die zijn aangesloten bij de [u.a.] te voorkomen.
o
[bv 2] . betaalt daardoor 25% meer dan het overeengekomen percentage van 20%. Door overmaking van dit bedrag ontstaat er een vordering van [bv 2] . op [u.a.] , van € 22.455,90.
o
De vordering zal door [u.a.] . worden afgelost door € 0,05 korting per kilo te geven op toekomstige (leveringen aan [bv 2] .
o
De totale vordering zal zijn afgelost, wanneer [u.a.] . voor 449.118 kilo aan champignons aan [bv 2] . heeft geleverd.
  • [belanghebbende] zal aantonen middels een bevestiging van de accountant dat ze in financiële problemen zit en dat een crediteurensanering noodzakelijk is.
  • [belanghebbende] en haar onderliggende vennootschappen hebben de inspanningsverplichting om bij al haar leveranciers een schuldsanering te realiseren. [belanghebbende] zal achteraf inzage verschaffen in het totale bedrag dat aan schuldsanering is gerealiseerd bij haar leveranciers. Uitzondering hierop zijn de hele kleine crediteuren, omdat bij deze vorderingen de kosten niet opwegen tegen de baten.
  • [bv 2] , heeft de morele verplichting om geen champignons in te kopen bij kwekers die niet akkoord zijn gegaan met een sanering van de openstaande facturen, voor de periode tot 1-1-2022. Uitzondering hierop is wanneer [bv 2] . kan aantonen dat zij haar totale volume aan benodigde champignons anders niet (tijdig) kan verkrijgen en daardoor de productie van haar producten kan stageren. [bv 2] . is wel vrij om zelf te bepalen waar ze producten inkoopt, welke niet door [u.a.] . geleverd kunnen worden.
(…)
Na betaling van het betreffende bedrag verleent ondergetekende aan [bv 2] . onherroepelijk finale kwijting voor het restant van de hierboven vermelde vordering van [u.a.] .

AKKOORDVERKLARING
(…)
Verklaart per 31 december 2020 in totaal een concurrente vordering te hebben op [bv 2] . ten bedrage van EUR € 20.938,26 (bedrag inclusief btw).
Partijen hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:

Er is een afbetalingsregeling getroffen tussen partijen inzake bovenstaande voorstel. Deze afbetalingsregeling houdt in:
o
[bv 2] . zal van de totale openstaande vordering à € 20.938,26 een bedrag betalen van 45% = € 9.422,22.
o
[bv 2] . betaalt daardoor 25% meer dan het overeengekomen percentage van 20%. Door overmaking van dit bedrag ontstaat er een vordering van [bv 2] . op [bedrijf 1] van € 5.234,57.
o
De vordering zal door [bedrijf 1] worden afgelost door € 0,05 korting per kilo te geven op toekomstige leveringen aan [bv 2] .
o
De totale vordering zal zijn afgelost, wanneer [bedrijf 1] voor 104.691 kilo aan champignons aan [bv 2] . heeft geleverd. Wanneer [bv 2] . om welke reden dan ook besluit om geen champignons meer af te nemen van [bedrijf 1] en de vordering van € 5.234,57 nog niet geheel is afgelost, dan zal het restant van de vordering komen te vervallen. Dit zal ook gelden bij een eventueel faillissement van [bv 2] .

[bv 2] . heeft de morele verplichting om geen champignons in te kopen bij kwekers die niet akkoord zijn gegaan met een sanering van de openstaande facturen, voor de periode tot 1-1-2022. Uitzondering hierop is wanneer [bv 2] . kan aantonen dat zij haar totale volume aan benodigde champignons anders niet (tijdig) kan verkrijgen en daardoor de productie van haar producten kan stageren. [bv 2] . is wel vrij om zelf te bepalen waar ze producten inkoopt, welke niet door [bedrijf 1] geleverd kunnen worden.
(…)
Na betaling van het betreffende bedrag verleent ondergetekende aan [bv 2] .
onherroepelijk finale kwijting voor het restant van de hierboven vermelde vordering van [bedrijf 1] .

AKKOORDVERKLARING
(…)
Verklaart per 31 december 2020 in totaal een concurrente vordering te hebben op [bv 3] ten bedrage van EUR 6.991,75 (bedrag inclusief btw).
Verklaart hierbij tevens in te stemmen met het door [bv 3] aangeboden voorstel zoals verwoord in de email van haar advocaat d.d. 15 februari 2021 welk aanbod luidt:
(…)
Partijen hebben verder de aanvullende afspraken gemaakt:
• [bv 3] zal een waarborgsom storten ter hoogte van € 18.793,13. [bv 4] zal
hiervoor een factuur opstellen.
• Deze waarborgsom zal gelden voor de leveringsperiode tot en met 31 december 2021.
• Indien blijkt dat [bv 3] haar facturen in 2021 binnen de daarvoor geldende termijn heeft
betaald, dan zal de waarborgsom per 1 januari 2022 komen te vervallen en zal [bv 4]
het bedrag van de waarborg terugstorten op de rekening van [bv 3] Indien de facturen 2021
niet tijdig betaald worden, dan zal de waarborgsom voor één jaar verlengd worden.
Na betaling van het bedrag van EUR 2.447,11 verleent ondergetekende aan [bv 3] onherroepelijk finale kwijting voor het restant van de hierboven vermelde vordering.
4.4.
Begin 2021 heeft belanghebbende een vrijwillige crediteurensanering doorgevoerd en heeft met alle concurrente crediteuren een akkoord bereikt.
4.5.
Belanghebbende heeft ook gesprekken gevoerd met de Ontvanger in verband met de sanering van de belastingschulden.
4.6.
Tot de gedingstukken behoort een e-mail van belanghebbende aan haar gemachtigde waarin is toegelicht welke aanvullende afspraken met de crediteuren zijn gemaakt. Hierin staat, voor zover thans van belang, het volgende:

Zoals afgesproken, ben ik nog eens in het dossier crediteurensanering gedoken en heb ik gekeken naar betalingsafspraken die zijn aangepast na het saneringsvoorstel. Van een aantal afspraken zijn er aanvullende stukken of mails/facturen waaruit blijkt dat wij bijvoorbeeld vooruit moeten betalen (middels een pro forma factuur) voordat er geleverd wordt. Ik heb het volgende nog kunnen vinden:
* [bedrijf 2] . Betalingstermijn van 22 dagen in 2020 naar 4 dagen in 2021. Btw-bedrag € 3.074.90 (Zie ook bijgevoegde mailwisseling)
* [bedrijf 3] . Van 30 dagen achteraf naar vooruitbetalen. Btw-bedrag € 1.049,44 (zie bijgevoegde mailwisseling)
* [bedrijf 4] , van een gemiddelde betalingstermijn van 62 dagen in 2020 naar 14 dagen. Btw-bedrag € 1.095,98 (zie bijgevoegde mailwisseling)
* [bedrijf 5] : vooraf pro forma factuur betalen. Btw-bedrag € 1.459,84 (zie voorbeeld mail met verzoek tot betaling pro forma factuur)
* [bedrijf 6] : vooraf pro forma factuur betalen. Btw-bedrag € 1.317,37 (zie voorbeeld mail met verzoek tot betaling pro forma factuur)
* [bedrijf 7] . Betalingstermijn 32 dagen naar 7 dagen. Btw-bedrag € 465,10 (zie bijgevoegde akkoordverklaring)
* [bedrijf 8] . Vooraf pro forma factuur betalen. Btw-bedrag 873,09. (zie voorbeeld mail met verzoek tot betaling pro forma factuur)
* [bedrijf 9] . Vooraf pro forma factuur betalen. Btw-bedrag € 605,81. (zie voorbeeld mail met verzoek tot betaling pro forma factuur)
Totaal btw-bedrag van bovenstaande crediteuren € 9.941,53
Van onderstaande leveranciers is de betalingstermijn aangepast, maar heb ik geen aanvullende documentatie:
* [bedrijf 10] . Gemiddelde betalingstermijn 14 dagen in 2020 naar 5 dagen in 2021. Btw-bedrag € 1.758,23
* [bedrijf 11] . Gemiddelde betalingstermijn 49 dagen in 2020 naar 16 dagen in 2021. Btw-bedrag € 1.856,99
Als ik dan kijk naar het totale btw-bedrag waarvoor geldt dat er aanvullende afspraken zijn gemaakt en waarvan het grootste gedeelte ook via stukken onderbouwd kan worden, dan hebben we het over €72.008,83. Dit is 66% van het totaalbedrag dat volgens de fiscus verschuldigd is. Dit is toch wel substantieel.”
4.7.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag en een verzuimboete opgelegd. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht.
4.8.
In de bezwaarfase heeft de inspecteur de verzuimboete verminderd tot € 500. De naheffingsaanslag en de belastingrente zijn gehandhaafd.
4.9.
Hangende de beroepsprocedure heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden met € 408 naar € 108.180. De belastingrente dient volgens de inspecteur dienovereenkomstig te worden verminderd naar € 7.806. Tevens is de inspecteur van mening dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 1.814 en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 1.617,50.

Motivering

Naheffingsaanslag
Beoordelingskader
4.10.
In artikel 29, zevende lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) staat het volgende:

De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting Pro in aftrek heeft gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel geheel of gedeeltelijk heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Artikel 14, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.11.
In de parlementaire behandeling van Fiscale vereenvoudigingswet 2017 staat het volgende: [1]
“Artikel 29, zevende lid, van de Wet OB 1968 regelt de herziening van de oorspronkelijk door de afnemer toegepaste aftrek van omzetbelasting ingeval de vergoeding niet wordt betaald of wordt terugontvangen. Deze regeling, alsmede de ter zake van de herziening toe te passen regels, vinden hun basis in de artikelen 184, 185 en 186 van de BTW-richtlijn. Het zevende lid heeft betrekking op het in het algemene deel van deze toelichting bedoelde spiegelbeeld van de teruggaaf van omzetbelasting voor oninbare vorderingen van de ondernemer die de prestatie verricht. Deze correctie geschiedt bij de afnemer en houdt in dat deze de eerder door hem voor die vordering in aftrek gebrachte omzetbelasting verschuldigd wordt voor zover hij de overeengekomen vergoeding voor de aan hem geleverde goederen of diensten geheel of gedeeltelijk terug ontvangt dan wel voor zover hij de vergoeding niet zal betalen. Zo wordt de ondernemer die de vergoeding voor een aan hem verrichte goederenlevering of dienstverrichting geheel of gedeeltelijk terugontvangt, op dat tijdstip de ter zake van die prestatie in aftrek gebrachte voorbelasting naar evenredigheid van het terugontvangen bedrag als omzetbelasting verschuldigd.
Daarnaast wordt een ondernemer waarvoor op enig moment vast staat dat hij de vergoeding voor de aan hem geleverde goederen of diensten geheel of gedeeltelijk niet zal betalen, op dat tijdstip de ter zake van die prestaties in aftrek gebrachte voorbelasting naar evenredigheid als omzetbelasting verschuldigd. Zulks kan het geval zijn bij bijvoorbeeld een prijsvermindering door de leverancier of bij een gehele of gedeeltelijke annulering van de transactie. Ook kan er sprake zijn van gehele of gedeeltelijke niet-betaling door de afnemende ondernemer, bijvoorbeeld wanneer deze in financiële moeilijkheden verkeert. Ook in die gevallen moet de reeds afgetrokken voorbelasting naar evenredigheid worden gecorrigeerd op het tijdstip waarop vast komt te staan dat de vordering geheel of gedeeltelijk niet zal worden betaald. In deze gevallen geldt echter dat de correctie van de voorbelasting in ieder geval geschiedt indien bij het verstrijken van de periode van één jaar na de opeisbaarheid van de vergoeding deze geheel of gedeeltelijk niet is betaald.
De ingevolge deze bepaling als omzetbelasting verschuldigde bedragen worden overeenkomstig de ter zake van leveringen van goederen en diensten verschuldigde belasting geldende regels van artikel 14, eerste lid, van de Wet OB 1968 op aangifte voldaan.”
Standpunten van partijen
4.12.
De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende, als gevolg van de afspraken met haar crediteuren, een deel van de aan haar gefactureerde bedragen niet hoeft te betalen. Hierdoor is volgens de inspecteur artikel 29, zevende lid, van de Wet OB terecht toegepast.
4.13.
Belanghebbende is primair van mening dat de schulden aan de crediteuren, voor de toepassing van artikel 29, zevende lid, van de Wet OB, zijn betaald omdat sprake is van een finale kwijting. Volgens belanghebbende houdt een dergelijke kwijting in dat het volledige bedrag is betaald. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst belanghebbende naar de uitspraak van rechtbank Gelderland van 16 september 2014. [2] Belanghebbende stelt verder dat met de crediteuren afspraken zijn gemaakt met betrekking tot betaling van de openstaande facturen (een bepaald percentage van de nominale waarde) en te betalen waarborgsommen en/of toekomstige afnameverplichtingen. [3] Als gevolg hiervan hebben de crediteuren een finale kwijting verleend voor de vorderingen over het jaar 2020. Dit wordt volgens artikel 6:49 BW Pro civielrechtelijk geduid als een betaling. [4] Ook in de belastingrechtspraak geldt een finale kwijting als een betaling in de zin van artikel 29 van Pro de Wet OB [5] aldus belanghebbende.
Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat ten aanzien van de crediteuren aannemelijk is gemaakt dat een hoger bedrag van de vorderingen is betaald.
Beoordeling
4.14.
De bewijslast dat sprake is van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd gelet op de werking van artikel 29, zevende lid van de Wet OB, ligt bij de inspecteur. Niet in geschil tussen partijen is dat de op de facturen in rekening gebrachte belasting eerder volledig in aftrek is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur ook geslaagd te bewijzen dat aan de overige elementen van het wetsartikel wordt voldaan. De rechtbank verwijst daarvoor naar de gesloten crediteurenakkoorden (zie 4.1 en 4.3). Daaruit valt naar het oordeel van de rechtbank namelijk af te leiden dat belanghebbende slechts een deel van de ontvangen facturen zal voldoen. Belanghebbende brengt daar tegenin dat geen sprake is van ‘niet betalen’ in de zin van het wetsartikel gelet op de gemaakte afspraken.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt de bewijslast dat sprake is van een finale kwijting waarmee aan alle betalingsverplichtingen is voldaan,– als bevrijdend verweer – bij belanghebbende. Of de term ‘finale kwijting’ zoals opgenomen in de overeenkomsten in 4.1 en 4.3 inhoudt dat betaald is voor de openstaande schulden dient te worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf. [6]
4.16.
Voor de gevallen waarin de crediteuren akkoord zijn gegaan met betaling van 20% van de openstaande facturen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een kwijtschelding mede gelet op de brief van belanghebbende (zie 4.1). Hieruit is immers af te leiden dat de crediteuren hun resterende vordering van 80% kwijtschelden. De enkele omstandigheid dat in de akkoordverklaring niet wordt gesproken over een ‘kwijtschelding’ maar over een ‘finale kwijting’ maakt niet dat daarmee geen sprake kan zijn van een kwijtschelding. [7] Gelet op de verwijzing naar de brief van 20 januari 2021 is duidelijk dat daarmee een kwijtschelding is bedoeld.
4.17.
Ten aanzien van de crediteuren met wie aanvullende afspraken zijn gemaakt (zie 4.3) oordeelt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een (vervangende) verbintenis die betaling in de vorm van schuldvernieuwing inhoudt. Ook is niet inzichtelijk gemaakt welke waarde en invloed die afspraken hebben gehad op de niet voldoening van de openstaande schulden. Uit de in 4.3 opgenomen afspraken in combinatie met de brief van 20 januari 2021 leidt de rechtbank af dat de crediteuren bereid waren tot gedeeltelijke kwijtschelding onder bepaalde voorwaarden. In zoverre kan geen sprake zijn van volledige betaling en faalt het primaire standpunt van belanghebbende.
4.18.
De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende. Uit de overgelegde stukken is niet af te leiden of partijen een bepaalde waarde aan de voornoemde afspraken hebben toegekend en wat die waarde zou moeten zijn.
4.19.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De naheffingsaanslag dient evenwel te worden verminderd tot een bedrag van € 108.180 (zie 4.9).
Belastingrente
4.20.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende naheffingsaanslag zal worden verminderd, dient het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.
Verzuimboete
4.21.
Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Omdat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, is sprake van een verzuim. Dit betekent dat de verzuimboete als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd. De boete blijft slechts achterwege ingeval van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas).
4.22.
Belanghebbende is van mening dat de verzuimboete vernietigd dient te worden omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Hiertoe verwijst belanghebbende naar diverse jurisprudentie. [8]
4.23.
Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de Nederlandse jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Mede gelet op de door belanghebbende aangevoerde jurisprudentie, bestaat onduidelijkheid over de rechtskundige kwalificatie van de met de crediteuren gesloten overeenkomsten alsmede de gevolgen daarvan voor artikel 29 van Pro de Wet OB. Gelet hierop dient de verzuimboete te worden vernietigd.
Immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.24.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.25.
De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 7 september 2023 bij de inspecteur is ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 19 november 2025. Sinds de indiening van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak is een periode van afgerond 27 maanden verstreken.
4.26.
Uit het voorgaande volgt dat de redelijke termijn met afgerond 3 maanden is overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt de overschrijding volledig voor rekening van de inspecteur.
4.27.
Verder is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaak in eerste feitelijke instantie.
4.28.
De rechtbank constateert dat initieel een boetebeschikking van € 5.514 (zie 1.2) was opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar is de boetebeschikking verminderd tot onder de € 1.000, namelijk tot € 500 (zie 1.3).
4.29.
De rechtbank zal de – bij uitspraak op bezwaar verminderde - boetebeschikking vernietigen (zie 4.23). Aangezien een boete van minder dan € 1.000 wordt vernietigd kan volstaan worden met de constatering dat de redelijk termijn is overschreden. [9]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting en een nadere hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.431,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 108.180 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- vernietigt de boetebeschikking;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriëleschadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.431,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 19 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2016/17, 34554, nr. 3, blz. 34 en 35.
3.Onder verwijzing naar bijlage 13 van het beroepschrift.
4.Belanghebbende verwijst hiervoor naar Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:975, r.o. 3.4.4.
5.Belanghebbende verwijst hiervoor naar rechtbank Arnhem 22 december 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BI2767.
6.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
7.Vgl. de Conclusie van Advocaat-Generaal Valk 9 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:146, r.o. 2.2 tot en met 2.12.
8.Rechtbank Gelderland 16 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5822, rechtbank Arnhem 22 december 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BI2767, Gerechtshof Arnhem 26 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL2912 en Hoge Raad 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8952.
9.Zie Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.