ECLI:NL:RBZWB:2025:8459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/4831
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kostenvergoeding en dwangsombeschikking in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak behandelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. Het geschil betreft een dwangsombeschikking wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 2020.

Belanghebbende betwist de toegekende kostenvergoeding in bezwaar en vordert tevens een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. De rechtbank oordeelt dat de kostenvergoeding in bezwaar onjuist is vastgesteld en corrigeert deze naar een hoger bedrag conform de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Ten aanzien van het verzoek om een dwangsom wijst de rechtbank dit af, omdat het niet mogelijk is om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsom te starten. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding, veroordeelt de inspecteur tot betaling van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende en verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de kostenvergoeding en ongegrond voor het verzoek tot vaststelling van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 mei 2024. Het beroep ziet op de dwangsombeschikking met dagtekening 30 mei 2023 in verband met het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met aanslagnummer [BSN] .H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende is het niet eens met de toegekende kostenvergoeding in bezwaar en stelt verder dat de inspecteur een dwangsom is verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep dat zich richt tegen de kostenvergoeding gegrond is en voor zover gericht tegen de dwangsom ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase
2.1.
Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat de waarde per punt van de kostenvergoeding in bezwaar € 624,- had moeten bedragen in plaats van de toegekende € 310,-. De inspecteur onderkent dit ook in het verweerschrift. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn stelling onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024. [1] De heffingsambtenaar had voor de bezwaarfase moeten uitgaan van een bedrag per punt van € 624,-. Het beroep is op dit punt dus gegrond.
Dwangsom
2.2.
Ten aanzien van het verzoek om een dwangsom vast te stellen vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende hier geen aanspraak op kan maken en dat dit verzoek zal worden afgewezen. Een dwangsombesluit is geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, Awb, zodat niet krachtens deze bepaling een dwangsom kan worden verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. [2] Dit geldt ook voor het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Het is niet mogelijk om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsomprocedure te starten en aldus dwangsommen te ‘stapelen’. [3] Het beroep is in zoverre ongegrond.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor bezwaar vast op € 312,- [4] . Voor zover de inspecteur al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Het beroep is voor het overige ongegrond.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 [5] . Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de kostenvergoeding;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 29 mei 2024 voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 765,50 (€ 312,- voor de bezwaarfase + € 453,50 voor de beroepsfase);
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
2.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2409. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte beroep in cassatie ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 RO Pro.
3.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, r.o. 5.2 en 5.3.
4.1 punten (bezwaarschrift) met een waarde per punt van € 624,- en een wegingsfactor 0,5 (licht).
5.1 punt (beroepschrift) met een waarde per punt van € 907 ,- per punt en een wegingsfactor 0,5 (licht).