In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de Dienst Toeslagen beoordeeld. Eiseres had eerder een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank had in een eerdere uitspraak op 13 november 2024 bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen acht weken op deze aanvraag moest beslissen. Eiseres stelt nu dat de Dienst Toeslagen deze beslissing niet tijdig heeft genomen, wat aanleiding geeft voor haar beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen. Hierdoor wordt de Dienst Toeslagen opgedragen om alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag van eiseres.
Daarnaast wordt er een dwangsom opgelegd van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-, voor elke dag dat de Dienst Toeslagen in gebreke blijft. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor haar proceskosten van € 453,50, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak enkel betrekking heeft op de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is en dat de Dienst Toeslagen de kosten moet vergoeden.