In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van eiseres, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 3.868 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en had het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Tijdens de zitting op 11 november 2025 zijn zowel de gemachtigde van eiseres als de inspecteur aanwezig geweest.
De rechtbank beoordeelt of eiseres in beroep kan komen tegen de uitspraak op bezwaar. De inspecteur stelt dat alleen [bedrijf] B.V. in beroep kan komen, omdat de naheffingsaanslag aan deze entiteit is opgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat eiseres bevoegd is om beroep in te stellen, aangezien zij de belasting op aangifte heeft voldaan.
Daarnaast wordt de vraag behandeld of de naheffingsaanslag vernietigd moet worden vanwege een onjuiste tenaamstelling. De rechtbank concludeert dat, ondanks de onjuiste tenaamstelling, de naheffingsaanslag voldoet aan de vereisten, omdat er geen twijfel bestaat over de belanghebbende.
Verder wordt de vraag besproken of de forfaitaire afschrijvingstabel onverbindend verklaard moet worden. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en dat de forfaitaire afschrijvingstabel niet onverbindend is. Eiseres heeft ook recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst de kostenvergoedingen toe aan eiseres, waarbij de inspecteur en de Staat ieder voor de helft verantwoordelijk zijn voor de proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.