Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.868 opgelegd aan een aan haar gelieerde vennootschap vanwege een vermeende te lage CO2-uitstoot in de aangifte. De rechtbank oordeelt dat eiseres bevoegd is tot het instellen van beroep omdat zij de belasting heeft voldaan.
Hoewel de naheffingsaanslag onjuist is gericht aan de gelieerde vennootschap en niet aan eiseres, leidt dit niet tot vernietiging omdat duidelijk is voor wie de aanslag bestemd is. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres dat de forfaitaire afschrijvingstabel onverbindend verklaard moet worden, mede omdat alternatieve waarderingsmethoden beschikbaar zijn.
De naheffingsaanslag is terecht en niet te hoog vastgesteld. Wel is de redelijke termijn voor afhandeling van het bezwaar met vijftien maanden overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.500, waarvan €400 voor rekening van de inspecteur en €1.100 voor de Staat. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.