Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur voor acht personenauto’s. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag, waarna belanghebbende hoger beroep instelde tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het geschil betrof onder meer de vraag of de door belanghebbende toegepaste herleidingmethode voor BPM-berekening was toegestaan, de toepassing van koerslijsten en taxatierapporten voor afschrijving, correcties wegens marge- en BTW-auto’s, verschillen tussen parallel en officiële invoer, de juiste vaststelling van de nieuwprijs, de CO₂-uitstoot waarop BPM is gebaseerd en de toepassing van artikel 10b Wet BPM 1992.
Het hof oordeelde dat de herleidingmethode niet is toegestaan, bevestigde dat afschrijving alleen kan worden vastgesteld aan de hand van koerslijsten van hetzelfde merk en type of een geldig taxatierapport, en dat de forfaitaire afschrijvingstabel als vangnet geldt. Correcties op forfaitaire afschrijving wegens marge-auto’s en correcties op koerslijstwaarde wegens parallelle invoer werden afgewezen. Het hof stelde het afschrijvingspercentage in goede justitie vast op 54% voor auto 3. De CO₂-uitstoot van 380 gram per kilometer werd als juist beoordeeld. Het beroep op artikel 10b Wet BPM 1992 slaagde voor auto’s 1 en 8, waardoor de naheffing voor deze auto’s werd verminderd.
Verder wees het hof het beroep af voor overige auto’s, oordeelde over de immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 56.730.