ECLI:NL:RBZWB:2025:9778
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Zander
- Rechtspraak.nl
Werknemer niet-ontvankelijk verklaard in verzoeken tegen B.V. wegens ontbreken arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat centraal of werknemer op het moment van het ontslag op staande voet op 21 oktober 2024 in dienst was bij werkgever of bij B.V. Werkgever en B.V. stellen dat werknemer op 5 oktober 2024 bij B.V. in dienst is getreden, onderbouwd met een arbeidsovereenkomst gedateerd 16 oktober 2024. Werknemer betwist dat zij deze overeenkomst heeft ondertekend en dat zij bij B.V. in dienst is.
De kantonrechter heeft in een eerdere procedure tussen werknemer en werkgever een deskundigenonderzoek bevolen om de authenticiteit van de arbeidsovereenkomst te onderzoeken, maar dit bleek niet mogelijk. Vervolgens kreeg werkgever een bewijsopdracht, maar is niet geslaagd in het bewijs dat werknemer de arbeidsovereenkomst met B.V. heeft ondertekend. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat werknemer ook na 5 oktober 2024 in dienst is gebleven bij werkgever.
Omdat dit ook de stelling van werknemer is, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tegen B.V. De kantonrechter compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Een verdere behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek is niet aan de orde omdat niet aan de voorwaarde is voldaan.
Uitkomst: Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tegen B.V. wegens ontbreken bewijs arbeidsovereenkomst.