ECLI:NL:RBZWB:2025:9779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11836373 \ AZ VERZ 25-53 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 3 BWArt. 7:653 lid 4 BWArt. 7:653 lid 5 BWArt. 7:678 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Billijke vergoeding na ontslag op staande voet wegens benadering prospect door werknemer

Werknemer was sinds oktober 2023 in dienst als salesmanager bij werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot juni 2025. Na aanzegging van niet-verlenging maakte werknemer bekend per juli 2025 bij een ander bedrijf te gaan werken. Op 12 juni 2025 had werknemer een belafspraak met prospect Signode.

Op 13 juni 2025 werd werknemer op staande voet ontslagen wegens het vermeend benaderen van Signode namens zijn toekomstige werkgever tijdens werktijd, wat volgens werkgever een dringende reden vormt. Werknemer betwist dit en verzoekt om een billijke vergoeding en andere vergoedingen wegens onregelmatig ontslag.

Werkgever voert verweer en doet een tegenverzoek tot betaling van openstaande boetes en nakoming van het non-ronselbeding. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is indien werkgever kan bewijzen dat werknemer Signode op 12 juni 2025 namens de nieuwe werkgever heeft benaderd.

De kantonrechter draagt werkgever op dit bewijs te leveren en wijst een datum voor bewijslevering en getuigenverhoor aan. Tot die tijd wordt verdere beslissing aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter draagt werkgever op bewijs te leveren van de dringende reden voor ontslag op staande voet en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: 11836373 \ AZ VERZ 25-53
Beschikking van 19 december 2025
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: FNV Individuele Belangenbehartiging,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. L.P.L. van den Hof.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter draagt [werkgever] op om de door haar gestelde en door [werknemer] betwiste dringende reden voor ontslag te bewijzen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- aanvullende stukken van [werkgever] van 17 november 2025
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 1985, is sinds 1 oktober 2023 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] was laatstelijk salesmanager met een loon van € 3.500,00 bruto per maand.
2.2.
De laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen was een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zeven maanden) lopende tot en met 30 juni 2025. Tijdens een gesprek op 30 mei 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Dat is bevestigd in een e-mailbericht van 2 juni 2025, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “
Wij vertrouwen erop dat je tot het einde van het dienstverband de werkzaamheden zult verrichten zoals overeengekomen(…)
Tevens maken we van de gelegenheid gebruik je erop te wijzen dat tijdens en ook na het einde van de arbeidsovereenkomst je gebonden blijft aan artikel 10 t/m 15 uit de arbeidsovereenkomst, te weten het relatiebeding, concurrentiebeding, toelichting belang relatiebeding en concurrentiebeding, geheimhoudingsbeding, non-ronselbeding en het boetebeding.
2.3.
Kort na deze aanzegging heeft [werknemer] aan [werkgever] kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om per 1 juli 2025 in dienst te treden bij [bedrijf] . [werkgever] stond hier welwillend tegenover, maar wilde wel afspraken maken over welke relaties [werknemer] niet zou mogen benaderen.
2.4.
Een van de werkafspraken die [werknemer] nog had bij [werkgever] was een belmoment met een prospect van [werkgever] , namelijk Signode Netherlands B.V. (hierna te noemen: Signode). Deze belafspraak vond plaats op 12 juni 2025.
2.5.
Op 12 juni 2025 om 17:06 uur ontving [werknemer] een e-mailbericht van [werkgever] met onder meer de volgende tekst: “
We zien je graag morgen om 9:30 op het hoofdkantoor in [plaats 2] voor een gesprek inzake jouw functioneren.
2.6.
Tijdens dit gesprek op 13 juni 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Dit ontslag op staande voet is bevestigd per brief van diezelfde datum.
2.7.
In de ontslagbrief van 13 juni 2025 is onder meer het volgende opgenomen:

Op 12 juni 2025 hebben wij tijdens een gesprek met Signode Netherlands B.V. vernomen dat jij deze klant/prospect op 12 juni 2025 hebt benaderd namens [bedrijf] . Jij zou je hierbij reeds hebben voorgedaan als medewerker van [bedrijf] en getracht Signode Netherlands B.V. te verbinden aan [bedrijf] .
Tijdens ons gesprek op 13 juni hebben wij jou geconfronteerd met bovenstaande constatering en gevraagd of jij inderdaad gedurende je werktijd bij [werkgever] reeds namens [bedrijf] begonnen bent met het banaderen van klanten/prospects. Jij hebt hier slechts ontwijkend antwoord op gegeven en aangegeven dat dit misschien wel of misschien niet het geval zou kunnen zijn.(…)
Op basis van het voorgaande heeft [werkgever] moeten concluderen dat jij tijdens je werktijd bij [werkgever] namens [bedrijf] een klant/prospect hebt benaderd, terwijl jij op dat moment eigenlijk werd geacht (afrondende) werkzaamheden voor [werkgever] te verrichten. Dit handelen vormt een grove schending van de met jou overeengekomen contractuele verplichtingen, waaronder onder meer het nevenwerkzaamhedenbeding, het relatiebeding en het concurrentiebeding. Het feit dat [werkgever] bereid was om zich constructief op te stellen met betrekking tot de relaties van [werkgever] , maakt jouw handelen nog verwijtbaarder. Dit heeft ons vertrouwen in jou ernstig geschonden. Jouw gedragingen als hiervoor omschreven vormen een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro, die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. We hebben jouw (beperkte) verklaring en persoonlijke omstandigheden hierbij meegewogen.
2.8.
Bij e-mailbericht van 16 juni 2025 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en de daaraan ten grondslag liggende beschuldigingen. Daarna heeft [werknemer] een gemachtigde ingeschakeld. Tussen de gemachtigden van partijen is nog gecorrespondeerd, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarom verzoekt [werknemer] de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt [werknemer] om [werkgever] te veroordelen tot het verstrekken van een eindafrekening (inclusief de uitbetaling van 11,25 openstaande vakantiedagen te vermeerderen met vakantiegeld daarover, € 448,00 bruto aan vakantiegeld, € 423,36 aan eindejaarsuitkering en € 8.025,00 bruto aan kwartaalbonus) en van een waarheidsgetrouw overzicht van de opgebouwde kwartaalbonus, beide onder last van verbeurte een dwangsom. Tot slot verzoekt [werknemer] primair om voor recht te verklaren (zo begrijpt de kantonrechter) dat [werkgever] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding onder last van verbeurte een dwangsom, subsidiair om het concurrentie- en relatiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 onder Pro a. en/of onder b. BW geheel of gedeeltelijk te vernietigen en meer subsidiair om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW Pro, alles met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
Volgens [werkgever] is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarom voert [werkgever] verweer en stelt zij dat de verzoeken van [werknemer] afgewezen moet worden. Daarnaast heeft [werkgever] een tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt veroordeling van [werknemer] tot betaling aan [werkgever] van € 2.326,24 aan openstaande boetes, schade en onterecht betaalde reiskostenvergoeding. Daarnaast verzoekt [werkgever] om [werknemer] te verbieden om werknemers van [werkgever] te benaderen in strijd met het geldende non-ronselbeding en om [werknemer] te veroordelen tot nakoming van het non-ronselbeding onder last van verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
4.3.
In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, als komt vast te staan dat [werknemer] op 12 juni 2025 Signode heeft benaderd en zich daarbij heeft voorgedaan als medewerker van [bedrijf] om Signode te verbinden aan [bedrijf] . Dat zou naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeren als een dringende reden voor ontslag. Het is een ernstige schending van het goed werknemerschap als [werknemer] als werknemer van [werkgever] zich onder werktijd – tijd waarin hij ten behoeve van [werkgever] dient te werken en waarvoor hij betaald wordt door [werkgever] – voordoet als werknemer van zijn toekomstige werkgever met als doel om een prospect van [werkgever] klant te laten worden bij de nieuwe werkgever. De vraag of dit ook een schending oplevert van het nevenwerkzaamhedenbeding, het relatiebeding én het concurrentiebeding is in dit kader niet van (doorslaggevend) belang. Weliswaar stelt [werknemer] dat door de formulering in de ontslagbrief de vereiste dringende reden ontbreekt als deze bedingen niet alle drie zijn geschonden, maar de kantonrechter oordeelt anders. Bepalend is het feitelijke handelen zoals omschreven in het begin van deze rechtsoverweging. Dat volgt ook uit de formulering van de ontslagbrief, waarin staat dat de gedragingen van [werknemer] de dringende reden vormen en (dus) niet de kwalificatie dat met die gedragingen de genoemde contractuele bedingen zijn geschonden. Op grond van deze formulering en de ontslagbrief als geheel had het voor [werknemer] onmiddellijk duidelijk moeten zijn dat dit – vermeende – feitelijke handelen de aanleiding was voor het ontslag op staande voet, ongeacht de (het antwoord op) de vraag of daarmee ook het nevenwerkzaamhedenbeding, het relatiebeding én het concurrentiebeding is geschonden.
4.4.
Zoals ook in de ontslagbrief staat, stelt [werkgever] dat [werknemer] tijdens zijn werktijd bij [werkgever] namens [bedrijf] een prospect (Signode) heeft benaderd, terwijl [werknemer] op dat moment werd geacht (afrondende) werkzaamheden voor [werkgever] te verrichten. Daarbij zou [werknemer] zich al hebben voorgedaan als medewerker van [bedrijf] . Ter onderbouwing van haar stelling voert [werkgever] aan dat zij – in de personen van [naam 1] (sales manager) en [naam 2] (commercieel manager) op 12 juni 2025 gebeld is door [naam 3] (plant manager van Signode) met de mededeling dat hij was gebeld door [werknemer] namens [bedrijf] om met [bedrijf] een samenwerking aan te gaan. Bovendien heeft [werkgever] als productie 6 een e-mailbericht van Signode overgelegd waarin het voorgaande volgens [werkgever] bevestigd wordt. Daar staat tegenover dat [werknemer] gemotiveerd betwist dat het betreffende gesprek op die manier heeft plaatsgevonden. [werknemer] voert aan dat hij op de gebruikelijke wijze heeft gesproken met Signode als prospect van [werkgever] . Wel heeft [werknemer] naar eigen zeggen aangegeven dat Signode wegens zijn vertrek bij [werkgever] een andere contactpersoon zou krijgen. Signode vroeg daar volgens [werknemer] op door, waarna [werknemer] heeft meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet werd verlengd, zodat hij genoodzaakt was om uit te kijken naar een andere werkgever.
4.5.
Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van [werkgever] om te bewijzen dat [werknemer] Signode op 12 juni 2025 heeft benaderd en zich daarbij heeft voorgedaan als medewerker van [bedrijf] om Signode te verbinden aan [bedrijf] . De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar 16 januari 2026 om [werkgever] de gelegenheid te geven zich uit te laten over de vraag of zij het gevraagde bewijs wenst te leveren en zo ja, op welke wijze.
4.6.
Met het oog op (het belang van) voormelde bewijsopdracht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
draagt [werkgever] op te bewijzen feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat [werknemer] Signode op 12 juni 2025 heeft benaderd en zich daarbij heeft voorgedaan als medewerker van [bedrijf] om Signode te verbinden aan [bedrijf] , dan wel om Signode te bewegen een samenwerking met [bedrijf] aan te gaan,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op 14 januari 2026 staat voor uitlating door [werkgever] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [werkgever] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [werkgever] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari tot en met juli dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Zander, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.