Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:125

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
25/1382
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18.10 OwArt. 5.19 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-handhaven en niet-intrekken omgevingsvergunning voor loods

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout om niet handhavend op te treden tegen vergunninghouder en de omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods niet in te trekken. Eisers stelden dat de loods niet bedrijfsmatig maar hobbymatig gebruikt zou worden, wat volgens hen onjuiste informatie bij de vergunningsaanvraag betrof.

De rechtbank overweegt dat de loods nog in aanbouw is, waardoor geen overtreding van de planregels kan worden vastgesteld en handhaving niet mogelijk is. Daarnaast is niet gebleken dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens, aangezien vergunninghouder bedrijfsmatige activiteiten heeft onderbouwd met inschrijving Kamer van Koophandel, activiteitenmelding en andere bewijsstukken.

Het enkele vermoeden van eisers dat het gebruik hobbymatig zal zijn, is onvoldoende om intrekking van de vergunning te rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het college. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-handhaven en niet-intrekken van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1382

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A.M.C.C. Verblackt)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout

(gemachtigde: [vertegenwoordiger] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. H.M.H. van Dongen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht heeft beslist niet handhavend op te treden tegen vergunninghouder en de omgevingsvergunning niet in te trekken. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college nog niet kon handhaven en terecht de omgevingsvergunning niet heeft ingetrokken. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 april 2023 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods.
2.1.
Op 4 juli 2024 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen vergunninghouder en de verleende omgevingsvergunning in te trekken. Dit verzoek is bij besluit van 20 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij deze afwijzing gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college terecht het verzoek tot handhaving heeft afgewezen en de omgevingsvergunning niet heeft ingetrokken. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten van eisers, de beroepsgronden.

Inleiding

4. Eisers zijn eigenaar van een monumentale woning aan de [adres 1] .
4.1.
Vergunninghouder is eigenaar van het aangrenzende perceel, plaatselijk bekend als [adres 2] .
4.2.
Op 13 april 2023 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods op dat perceel.
4.3.
Op het perceel is het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” van toepassing, met de bestemming “Bedrijf” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie”.
Omvang van het geding
5. Volgens vaste rechtspraak [1] kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. De inhoud van het handhavingsverzoek van 4 juli 2024 is dus bepalend voor de omvang van het geding. In dit handhavingsverzoek hebben eisers aangevoerd dat gehandhaafd moet worden omdat vergunninghouder onjuiste informatie heeft verstrekt bij de vergunningsaanvraag. Eisers stellen dat de loods niet overeenkomstig het bij de aanvraag opgegeven bedrijfsmatige gebruik zal worden benut, maar hoofdzakelijk voor hobbymatige doeleinden zal worden gebruikt. Eisers hebben het college niet verzocht om handhavend op te treden omdat er een ander bouwwerk wordt gebouwd dan vergund of omdat de bouwhoogte op de erfgrens hoger is dan toegestaan. Dat verzoek hebben zij pas gedaan bij brief van 22 oktober 2025.
5.1.
Ter zitting hebben eisers gesteld dat de nieuwe loods via een doorgang zou zijn gekoppeld aan de oude loods, waardoor sprake zou zijn van één bouwwerk. Uit de stukken in het dossier en de verklaringen ter zitting blijkt echter niet dat een doorgang of koppeling tussen beide loodsen is gerealiseerd. Dat betekent dat de bestaande loods, het bouwen van een ander bouwwerk dan vergund en het hoger bouwen dan toegestaan op de erfgrens geen onderdeel vormen van dit geding.
5.2.
Gelet op het voorgaande ligt in deze uitspraak enkel de vraag voor of het college aanleiding had moeten zien om handhavend op treden wegens gebruik van de loods in strijd met de planregels, dan wel om de omgevingsvergunning in te trekken wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij de aanvraag.
Moest het college handhavend optreden of de omgevingsvergunning intrekken?
6. Voor handhavend optreden is vereist dat sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften. Daarnaast kan het college een omgevingsvergunning op grond van artikel 18.10 van de Omgevingswet (Ow) geheel of gedeeltelijk intrekken indien onder meer wordt gehandeld in strijd met de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften, of indien de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens.
7. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige informatie. Volgens hen heeft vergunninghouder bij de aanvraag aangegeven dat de loods bedrijfsmatig gebruikt zal worden, maar dat is niet het geval. De loods zal hobbymatig gebruikt worden. Volgens eisers is het werkelijke gebruik daarom niet in overeenstemming met wat bij de aanvraag is voorgespiegeld. Het college moet volgens eisers daarom handhavend optreden en de verleende omgevingsvergunning intrekken.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor handhavend optreden of intrekking van de omgevingsvergunning. Daartoe voert zij aan dat het bedrijfsgebouw nog in aanbouw is, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van gebruik in strijd met de planregels. Dat vergunninghouder aangegeven zou hebben naast bedrijfsactiviteiten ook hobbymatige werkzaamheden te willen verrichten, betekent volgens het college niet dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Bepaalde hobbymatige werkzaamheden mogen volgens het college ook plaatsvinden, zolang dit van zodanig ondergeschikte aard en omvang is dat daaraan in planologisch opzicht geen betekenis toekomt. Het college ziet daarom geen grond om gebruik te maken van zijn handhavings- of intrekkingsbevoegdheid.
8. De rechtbank stelt vast dat, voor zover het verzoek ziet op handhavend optreden wegens strijdig gebruik, de loods nog in aanbouw is, zodat geen overtreding kan worden vastgesteld en handhavend optreden nog niet mogelijk is. Het college is hier dan ook terecht niet toe overgegaan.
8.1.
Voor de beantwoording van de vraag of aanleiding bestond om de omgevingsvergunning in te trekken, overweegt de rechtbank als volgt.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) de bevoegdheid om de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, van de Ow in te trekken was opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank zal, nu de strekking van de bepalingen sterk overeenkomt, met haar beoordeling – gelet op het nog ontbreken van jurisprudentie over deze bevoegdheid in de Ow – aansluiten bij de jurisprudentie over de toepassing van deze bevoegdheid op grond van de Wabo.
8.3.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) [2] volgt dat voor de intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave noodzakelijk is dat vast staat dat de omgevingsvergunning juist wegens de onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend.
8.4.
Dat de loods nog in aanbouw is, brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of het daadwerkelijke gebruik van de loods afwijkt van het gebruik zoals bij de aanvraag is aangegeven. Daarmee ontbreken thans objectieve aanknopingspunten dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
8.5.
Vergunninghouder heeft ter onderbouwing van zijn bedrijfsmatige activiteiten aangevoerd dat zijn onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en hij een activiteitenmelding voor de werkzaamheden heeft gedaan bij de Omgevingsdienst. Daarnaast heeft hij een offerte voor te verrichten werkzaamheden en foto’s waarop zijn werkzaamheden te zien zijn overgelegd.
8.6.
Daartegenover staat enkel de stelling van eisers dat vergunninghouder heeft gezegd de loods (mede) hobbymatig te willen gebruiken. Ook voor zover deze stelling is gebaseerd op het door eisers overgelegde geluidsfragment, volgt daaruit geen objectief aanknopingspunt over de aard en omvang van het toekomstige gebruik, waaruit kan worden afgeleid dat het gebruik niet bedrijfsmatig zal zijn.
8.7.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die van doorslaggevend belang waren voor de vergunningverlening. Het enkele vermoeden van eisers dat het gebruik in de praktijk hobbymatig zal zijn, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend en het college hoefde geen aanleiding te zien om handhavend op te treden of de omgevingsvergunning in te trekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft, er niet wordt gehandhaafd en de omgevingsvergunning niet wordt ingetrokken. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 13 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4648.
2.Zie de uitspraken van de ABRvS van 7 april 2021: ECLI:NL:RVS:2021:720, van 17 april 2021: ECLI:NL:RVS:2019:1156 en van 11 december 2013: ECLI:NL:RVS2013:2407.