ECLI:NL:RBZWB:2026:1295

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6818
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:73 AwbArt. 4:85 AwbAfdeling 4.4.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake rentebeschikking proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft bij de rechtbank beroep ingesteld omdat de heffingsambtenaar niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek van 3 juni 2025 om een rentebeschikking vast te stellen over de proceskostenvergoeding en griffierecht die bij uitspraak van 14 oktober 2025 waren toegekend.

De rechtbank overweegt dat de regels over wettelijke rente in afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing zijn op verplichtingen tot betaling die bij bestuursrechterlijke uitspraak zijn opgelegd. Hierdoor geldt voor de betaling van wettelijke rente de regeling van het Burgerlijk Wetboek en is alleen de burgerlijke rechter bevoegd hierover te oordelen.

Omdat geen beroep bij de belastingrechter mogelijk is en de rechtbank zich onbevoegd verklaart, komt zij niet toe aan het verzoek om een dwangsom vast te stellen. De rechtbank draagt het door belanghebbende betaalde griffierecht van €53,- aan hem terug en wijst een proceskostenvergoeding af.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek tot vaststelling van wettelijke rente en draagt het griffierecht terug aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A. Bakker, verbonden aan Maatschap WOZ juristen),
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 3 juni 2025 om een rentebeschikking vast te stellen. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan vanwege het niet tijdig uitbetalen van de proceskostenvergoeding en griffierecht naar aanleiding van de uitspraak van 14 oktober 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [1] .
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 oktober 2025 een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht uitgesproken. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 3 juni 2025 verzocht om vergoeding van wettelijke rente vanwege uitblijven van betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht. Belanghebbende stelt zich op het standpunt de heffingsambtenaar ondanks daartoe strekkende ingebrekestelling heeft nagelaten een besluit te nemen over de verschuldigdheid en hoogte van de wettelijke rente. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 8:73 van Pro de Awb dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Belanghebbende verzoekt om een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. [2]
2.2.
De rechtbank overweegt dat in afdeling 4.4.2 van de Awb regels staan over verzuim en verschuldigdheid van wettelijke rente. Deze regels zijn niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. [3] Dit brengt mee dat titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is op de betaling van een proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht waartoe de heffingsambtenaar bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld. Omdat een bestuursrechtelijke regeling ontbreekt geldt de regeling van het Burgerlijk Wetboek. Alleen de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen over een beslissing over de vergoeding van wettelijke rente. [4] Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk om beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen door de heffingsambtenaar. Dit betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan het verzoek om een dwangsom vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6911.
2.Dit volgt uit artikel 8:42 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:85, derde lid van de Awb.
4.Vgl. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1121.