Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.procedure
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
6.De beslissing
2 maart 2026.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser vordert betaling van achterstallig loon en vergoeding van reiskosten en een iPad, stellende dat hij als tatoeëerder op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht voor gedaagde. Gedaagde betwist dit en stelt dat sprake was van een stage zonder vergoeding.
De kantonrechter beoordeelt in kort geding of er sprake is van spoedeisend belang en of de vordering waarschijnlijk gegrond is. Gezien het ruime tijdsverloop sinds de werkzaamheden en het ontbreken van concrete onderbouwing van het spoedeisend belang wijst de kantonrechter de vordering af.
Daarnaast is er een fundamenteel geschil over de aard van de arbeidsrelatie en de gemaakte afspraken, waarbij nadere bewijslevering noodzakelijk is. Dit kan niet in kort geding plaatsvinden, zodat de zaak verwezen wordt naar een bodemprocedure.
De kantonrechter veroordeelt eiser in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en noodzaak van nadere bewijslevering.