ECLI:NL:RBZWB:2026:1385

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4608
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a WavArt. 1 WavArt. 18 WavArt. 6:22 AwbArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete van €8.000 opgelegd wegens overtreding identificatieplicht arbeidskrachten

Eiseres, een fastfoodrestaurant, kreeg een bestuurlijke boete van €8.000 opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens twee overtredingen van artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De overtredingen betroffen het niet binnen 48 uur kunnen vaststellen van de identiteit van arbeidskrachten en het niet overleggen van kopieën van identiteitsdocumenten. Inspecteurs van de Arbeidsinspectie troffen tijdens een controle op 14 februari 2024 twee mannen aan die zich niet identificeerden en aan de controle onttrokken.

Eiseres voerde aan dat zij slechts afnemer was van schoonmaakdiensten en geen werkgeverschap had, dat zij te goeder trouw had gehandeld en dat de boete disproportioneel was. De rechtbank oordeelde dat eiseres door de frequente en feitelijke bemoeienis met de schoonmaakwerkzaamheden, waaronder toegang tot het pand en camerabeelden, als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt. De civielrechtelijke verhouding met het schoonmaakbedrijf is irrelevant.

De rechtbank stelde vast dat de boete passend is en dat sprake is van normale verwijtbaarheid, niet van grove schuld zoals de minister stelde. Adequate maatregelen door eiseres werden niet tijdig of overtuigend genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat het griffierecht en proceskosten aan eiseres worden vergoed en bevestigde de boeteoplegging conform de Beleidsregels 2020.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de boete van €8.000 wegens overtreding van artikel 15a Wav wordt ongegrond verklaard en de boete blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.P.A. Oogjen),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete van € 8.000,- vanwege twee overtredingen van artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Eiseres is het niet eens met de opgelegde bestuurlijke boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht deze bestuurlijke boete aan eiseres heeft opgelegd.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiseres terecht als werkgever heeft aangemerkt en de hoogte van de boete juist op € 8.000,- is vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 juli 2025 (bestreden besluit) over een door de minister opgelegde boete vanwege twee overtredingen van de Wav.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres is [persoon 1] en haar gemachtigde verschenen. Verder was mr. [persoon 2] aanwezig namens de minister.
1.6.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2.1.
Op 14 februari 2024 hebben inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (inspecteurs) de onderneming van eiseres (een fastfoodrestaurant) bezocht om te controleren of (onder andere) de Wav wordt nageleefd. Het onderzoek vond plaats op de [adres] . In de onderneming troffen de inspecteurs twee mannen aan. Deze personen hebben zich niet ten overstaan van de inspecteurs geïdentificeerd. Tijdens de controle trokken zij hun blauwkleurige wegwerpschorten en handschoenen uit, renden zij de onderneming uit en onttrokken zij zich zo aan de controle van de inspecteurs.
2.2.
Op 22 februari 2024 hebben de inspecteurs gesproken met de heer [persoon 1] (bestuurder eiseres). De bestuurder gaf aan dat hij sinds oktober 2021 gebruikmaakt van een [schoonmaakbedrijf].
2.3.
Op 26 maart 2024 hebben de inspecteurs op grond van artikel 15a van de Wav eiseres gevorderd om binnen 48 uur bescheiden over te leggen, omdat de inspecteurs de identiteit van de arbeidskrachten niet hebben kunnen vaststellen. Eiseres heeft niet aan deze vordering voldaan. De inspecteurs hebben daarom twee overtredingen van artikel 15a Wav vastgesteld. Naar aanleiding van deze overtredingen hebben de inspecteurs op
17 september 2024 een boeterapport opgesteld.
2.4.
Op 28 november 2024 is aan eiseres een voornemen tot het opleggen van een boete en het openbaar maken van de inspectiegegevens gestuurd.
2.5.
Op 3 januari 2025 heeft eiseres haar zienswijze kenbaar gemaakt tegen het voornemen.
2.6.
Met het besluit van 18 februari 2025 (primair besluit) heeft de minister een bestuurlijke boete van € 8.000,- aan eiseres opgelegd en de inspectiegegevens openbaar gemaakt. Het boetebedrag is als volgt opgebouwd:
Boete
1. Niet voldoen aan de vordering (ex artikel 15a Wav) € 8.000,00
Er is sprake van normale verwijtbaarheid. Daarom wordt, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] , de boete vastgesteld op 50% van het boetenormbedrag van € 8.000,-, namelijk € 4.000,- per arbeidskracht.
2.7.
Eiseres heeft op 31 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.8.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Bestreden besluit
3.1.
Met het bestreden besluit is de minister gebleven bij de opgelegde boete van
€ 8.000,- vanwege twee overtredingen van artikel 15a Wav. Eiseres heeft niet voldaan aan de vordering van de inspecteurs om binnen 48 uur de identiteit van de arbeidskrachten vast te stellen en de inspecteurs een kopie van het identiteitsdocument te verstrekken. Verder is eiseres aan te merken als werkgever van de arbeidskrachten in de zin van de Wav en niet louter afnemer van een dienst. De schoonmaakdiensten van [schoonmaakbedrijf] werden door eiseres al geruime tijd en met regelmaat afgenomen, eiseres had feitelijke bemoeienis met en oefende invloed uit op de uitvoering van de werkzaamheden en eiseres had direct zicht op de schoonmaakwerkzaamheden doordat deze in het restaurant werden uitgevoerd en omdat zij toegang had tot de camerabeelden.
3.2.
Verder is een boete van € 8.000,- in overeenstemming met de ernst van de overtredingen en de mate waarin deze aan eiseres kunnen worden verweten. Dat eiseres de persoonsgegevens van de arbeidskrachten en/of kopieën van hun identiteitsdocumenten niet voor de aanvang van hun arbeid in haar administratie heeft opgenomen en bewaard, is eiseres ernstig te verwijten. Anders dan het primaire besluit, waar uit wordt gegaan van normale verwijtbaarheid, is volgens de minister sprake van grove schuld. Echter, het verbod op reformatio in peius staat er aan in de weg om een hoger boetebedrag, zoals bij grove schuld het geval is, op te leggen dan waar in het primaire besluit van uit is gegaan. Ten slotte heeft eiseres wel maatregelen genomen, maar kunnen deze niet als adequaat worden aangemerkt.
Beroepsgronden
4.1.
Eiseres stelt primair dat sprake is van een onjuiste kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav. Zij is enkel afnemer van een dienst, namelijk de schoonmaakwerkzaamheden. Verder ontbreekt feitelijke zeggenschap of toezicht onder de gegeven omstandigheden. Ook heeft het cameratoezicht niet tot doel feitelijk gezag of toezicht op de uitvoering van de arbeid uit te oefenen, maar is het doel de veiligheid. Er was geen sprake van directe controle of toezicht. Voorts heeft eiseres een overeenkomst gesloten met [schoonmaakbedrijf] en niet met de individuele schoonmakers. De afspraken zijn gemaakt met [schoonmaakbedrijf] , de verantwoordelijke voor de uitvoering. Gezien het voorgaande is en blijft eiseres van mening dat feitelijke zeggenschap of toezicht volledig ontbreekt en er derhalve geen sprake is van werkgeverschap.
4.2.
Subsidiair is eiseres van mening dat de boeteoplegging onrechtmatig is, nu elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Eiseres heeft te goeder trouw gehandeld en is actief misleid door [schoonmaakbedrijf] . Meer subsidiair stelt eiseres dat de conclusie van ‘grove schuld’ disproportioneel is en onvoldoende is gemotiveerd. De primaire verplichting ligt bij [schoonmaakbedrijf] , die kennelijk niet heeft voldaan aan haar verplichting. Was dat wel het geval geweest, dan had eiseres binnen de gestelde termijn aan haar verplichting kunnen voldoen. Verder is eiseres van mening dat de minister haar inspanningen [2] onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. Het vragen van contractuele garanties toont juist zorgvuldigheid aan en dient te worden meegewogen in de conclusie tot een verminderde mate van verwijtbaarheid.
4.3.
Voorts is sprake van een onjuiste beoordeling van de adequate maatregelen. De beëindiging van een contractuele relatie met de partij die de overtreding feitelijk veroorzaakte, is een zeer concrete en effectieve maatregel om herhaling te voorkomen en zou in de visie van eiseres moeten leiden tot matiging van de boete. Daarnaast schakelt eiseres voortaan een ABU-gecertificeerd uitzendbureau in en voert zij zelf controle uit bij haar werknemers. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van de minister had onder de gegeven omstandigheden niet tot boetelegging over moeten worden gegaan, althans is de boeteoplegging onevenredig.
4.4.
Verder is de minister op basis van het lex mitior beginsel gehouden de voor eiseres meest gunstige bepalingen toe te passen. In dit geval is dat niet de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2020 (Beleidsregels 2020), maar de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2025 (Beleidsregels 2025). De Beleidsregels 2025 voorzien namelijk in de mogelijkheid van een schriftelijke waarschuwing en leiden tot een lager boetebedrag.
Oordeel van de rechtbank
Omvang van het geding
5. De omvang van het geding beperkt zich in dit geval tot de vraag of de minister terecht een boete van € 8.000,- aan eiseres heeft opgelegd vanwege twee overtredingen van artikel 15a Wav. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen de openbaarmaking van de inspectiegegevens, waartoe in hetzelfde besluit is beslist.
Werkgeverschap
6.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 28 augustus 2019 [3] biedt de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav geen grond voor het standpunt dat in het zakelijke verkeer iedere afnemer van een willekeurig product of een willekeurige dienst, ongeacht relevante feitelijke of juridische aanknopingspunten, als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt, indien blijkt dat er bij de betreffende producent of leverancier vreemdelingen werkzaam zijn geweest.
6.2.
Als algemeen uitgangspunt heeft dan ook te gelden dat in het zakelijke verkeer de afnemer van een product of dienst niet zonder meer als werkgever, in de zin van de Wav, kan worden aangemerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van
23 oktober 2013 [4] kan dit anders zijn als aanwijzingen bestaan dat tussen een opdrachtgever en een dienstverlener een zodanige relatie bestaat dat de opdrachtgever niet meer louter als afnemer van die dienst kan worden aangemerkt.
6.3.
Meer in het algemeen geldt dat naar mate de betrokkenheid van de opdrachtgever bij de uitvoering van de dienst groter wordt zich eerder de situatie zal voordoen dat de opdrachtgever niet langer als louter afnemer van de dienst kan worden aangemerkt. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis met de uitvoering van de werkzaamheden en het direct zicht op de werkzaamheden doordat deze bij de opdrachtgever worden uitgevoerd. Als dergelijke omstandigheden zich in overwegende mate voordoen kan de opdrachtgever invloed uitoefenen op de uitvoering van de werkzaamheden ter voorkoming van overtreding van de Wav en kan dit ook redelijkerwijs van hem worden verlangd.
6.4.
Uit het boeterapport blijkt dat eiseres sinds oktober 2021 tot in ieder geval
2 mei 2024 elke zaterdag, zondag, de feestdagen met evenementen en drukke dagen schoonmaakdiensten van [schoonmaakbedrijf] afneemt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt op basis van deze termijn en frequentie dat de diensten van [schoonmaakbedrijf] met regelmaat door eiseres worden afgenomen.Daarnaast neemt eiseres contact op met [schoonmaakbedrijf] als de werkzaamheden niet naar wens zijn uitgevoerd, vallen schoonmaakwerkzaamheden binnen de normale bedrijfsvoering van eiseres en worden de werkzaamheden verricht binnen het bedrijfspand. Hieruit volgt dat eiseres feitelijk bemoeienis had met de uitvoering van de werkzaamheden. Ook was het mogelijk voor eiseres om controle uit te voeren op de werknemers en was sprake van direct zicht. Zij heeft immers toegang tot haar eigen restaurant en tot de camerabeelden. De keuze om niet aanwezig te zijn in het bedrijfspand als de werknemers aanwezig in het pand zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat eiseres direct zicht op de werkzaamheden kan hebben. Daarmee is het doel van de camera’s naar het oordeel van de rechtbank irrelevant.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres gelet op de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis met de uitvoering van de werkzaamheden en het direct zicht op de werkzaamheden worden aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1, aanhef en onder b Wav. Hierbij wordt opgemerkt dat het begrip werkgeverschap in de zin van de Wav ruimer is dan in het arbeidsrecht. De vraag wie het gezag heeft en of het gezag al dan niet is overgedragen, is geen criterium bij de beoordeling van het begrip werkgeverschap in de zin van de Wav.
6.6.
Ten slotte voert eiseres in dit kader nog aan dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [schoonmaakbedrijf] en niet met de individuele schoonmakers. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Zoals hiervoor uiteen is gezet, is eiseres aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. De civielrechtelijke verhoudingen tussen haar en [schoonmaakbedrijf] zijn irrelevant voor de beoordeling in het kader van de Wav.
De hoogte van de boete
7.1.
Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 15a van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. [5] Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
7.2.
In de Beleidsregels 2020 heeft de minister de boetebedragen voor de overtredingen vastgesteld. Het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 15a van de Wav is € 8.000,- bij een normale mate van verwijtbaarheid.
7.3.
Volgens de Afdeling [6] mag in beginsel bij overtreding van de Wav worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid en in zo’n situatie is 50% van het boetenormbedrag passend. Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of daaraan grove schuld heeft. Afwijking naar beneden van genoemde 50% van het boetenormbedrag is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de werkgever. Op de werkgever rust de verplichting de daarvoor noodzakelijke feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Onder verminderde verwijtbaarheid wordt verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden. Afwijking naar boven van het percentage van 50% is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld bij de werkgever. Het is dan aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Hierbij gaat het om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld.
Verwijtbaarheid
8.1.
Eiseres voert aan te goeder trouw te hebben gehandeld en stelt dat alle verwijtbaarheid ontbreekt.
8.2.
Op eiseres rust de verantwoordelijkheid, in haar hoedanigheid als werkgever, om haar wettelijke plichten te kennen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om te controleren of zij aan deze verplichtingen voldoet. Deze verplichtingen kan zij dus niet overdragen op [schoonmaakbedrijf] en zij kan [schoonmaakbedrijf] – in het kader van de bestuursrechtelijke beoordeling – ook niet de schuld geven van de overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres een verwijt worden gemaakt van het feit dat zij vóór het begin van de schoonmaakwerkzaamheden de identiteit van de arbeidskrachten en of zij in Nederland mochten werken niet heeft gecontroleerd. Zo nodig had eiseres zelf kopieën van de identiteitsdocumenten van de arbeidskrachten in haar administratie moeten opnemen en bewaren. De beroepsgrond van eiseres dat alle verwijtbaarheid ontbreekt, slaagt dus niet.
8.3.
Verder heeft de minister in het bestreden besluit gemotiveerd dat sprake is van grove schuld in plaats van normale verwijtbaarheid. De minister stelt dat eiseres ernstig nalatig, onzorgvuldig en onachtzaam is geweest, maar de rechtbank oordeelt dat de minister daarbij geen bijkomende omstandigheden noemt waardoor van grove schuld zou moeten worden uitgegaan. Om die reden is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Het boetebedrag is namelijk niet verhoogd, omdat het verbod van reformatio in peuis hieraan in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een aan opzet grenzende verwijtbaarheid noch van een verminderde verwijtbaarheid. Eiseres heeft geen verzachtende omstandigheden uit de periode vóór de overtredingen aangevoerd. Dat eiseres de werkzaamheden heeft uitbesteed en dat zij contractueel afspraken heeft gemaakt, is niet afdoende. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van eiseres.
Evenredigheid (adequate maatregelen)
9.1.
Eiseres voert aan dat zij adequate maatregelen heeft getroffen naar aanleiding van de overtredingen. Het gaat dan om het aanpassen van het contract met [schoonmaakbedrijf] , de beëindiging van de samenwerking met [schoonmaakbedrijf] en het inschakelen van een ABU-gecertificeerd uitzendbureau met eigen controle.
9.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen [7] kunnen inspanningen die zijn verricht nadat de overtreding is geconstateerd, van belang zijn voor de beoordeling of de opgelegde bestuurlijke boete passend en geboden is.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet snel genoeg maatregelen heeft genomen en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar genomen maatregelen adequaat zijn en maken dat de boete onevenredig hoog is. Eiseres heeft de samenwerking met [schoonmaakbedrijf] niet direct stop gezet na de overtredingen; ook niet nadat zij wist dat [schoonmaakbedrijf] medewerkers had geleverd die niet mochten werken. Daarnaast is het inschakelen van een uitzendbureau met ABU-kenmerk geen adequate maatregel. Eiseres vergewist zich er namelijk nog niet van dat het uitzendbureau zich gedurende de gehele duur van de opdracht inzet om aan de eisen van de Wav te voldoen.
Beleidsregels
10. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiseres zich niet had gerealiseerd dat de boetes die conform de Beleidsregels 2020 worden vastgesteld, op basis van een uitspraak van de Afdeling [8] worden gehalveerd. Zij had enkel naar het normbedrag gekeken. Het normbedrag conform de Beleidsregels 2025 bij normale verwijtbaarheid bedraagt € 6.000,- per arbeidskracht (2 x € 6.000,- = € 12.000,-). Dit betreft een hoger bedrag dan conform de Beleidsregels 2020 is opgelegd, namelijk € 4.000,- per arbeidskracht (50% van het normbedrag van € 8.000,-). Ook heeft eiseres erkend dat zich geen situatie voordoet die tot een waarschuwing had kunnen leiden. De Beleidsregels 2020 zijn, op grond van het voorgaande, dus niet ongunstiger.

Conclusie en gevolgen

11.1.
Het beroep is ongegrond. Eiseres is terecht als werkgever in de zin van de Wav aangemerkt, de hoogte van de boete is conform de Beleidsregels 2020 vastgesteld en de opgelegde boete is niet onevenredig. Omdat artikel 6:22 van Pro de Awb is toegepast, bepaalt de rechtbank dat het college de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten en het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- moet vergoeden.
11.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in beroep krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is aanwezig geweest bij de zitting. Omdat deze zaak gelet op de omvang en complexiteit van gemiddeld gewicht is, wordt op de waarde van elke proceshandeling een factor van 1 toegepast. Dat betekent dat de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 x € 934,- x 1=)
€ 1.868,- bedraagt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Wet arbeid vreemdelingen
Artikel 1, aanhef en onder b en c
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. werkgever:
1°.degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;
2°.de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000 (…)
Artikel 15a
De werkgever is verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.
Artikel 18
Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020
Op 1 februari 2025 is de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2025 in werking getreden, onder intrekking van de Beleidsregel 2020. [9] Omdat de overtreding voor 1 februari 2025 is begaan is de Beleidsregel 2020 van toepassing. De Beleidsregel 2020 is, met inachtneming van de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, voor eiseres niet ongunstiger.
Bijlage I
Boetenormbedragen bestuursrechtelijke overtredingen als bedoeld in de artikelen 2 eerste lid, en 15a Wet arbeid vreemdelingen
Artikel
Lid
Overtreding
2
1
Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning;
15a
De werkgever laat na om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met
3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.
Overtreder
Boetenormbedrag
Natuurlijk persoon, die een huishoudelijke of persoonlijke dienst laat verrichten
€ 2.000
Natuurlijk persoon, die handelt uit ambt, beroep of bedrijf
€ 4.000
Stichting of vereniging met algemeen nut beogende doelstelling, waarbij sprake is van arbeid in de niet-zakelijke sfeer. Onder arbeid in de niet-zakelijke sfeer wordt verstaan arbeid die niet bedrijfsmatig van aard is en niet gericht is op het verwerven van inkomsten.
€ 4.000
Feitelijk leidinggevende die leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging
€ 6.000
Overige rechtspersonen of daarmee gelijkgestelden
€ 8.000
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025
Artikel 1, eerste en tweede lid
1. Bij een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt afgezien van boeteoplegging en wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan de werkgever indien:
het in de periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de constatering van de overtreding de eerste overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen door de werkgever betreft; en
ij de overtredingen niet meer dan vijf vreemdelingen of arbeidskrachten zijn betrokken, met uitzondering van de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder e.
2. De in het eerste lid bedoelde waarschuwing wordt uitsluitend gegeven in een van de volgende situaties:
e. de werkgever heeft, na de vorderingstermijn van 48 uur, genoemd in artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen, maar uiterlijk vier weken na het verstrijken van de vorderingstermijn, alsnog een kopie van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht verstrekt, op basis waarvan de identiteit van de persoon kan worden vastgesteld en waaruit blijkt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (…)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973.
2.Contractuele afspraken, proactieve medewerking na constatering overtreding, inspanningen die zijn gedaan om de gevraagde informatie alsnog boven water te krijgen.
3.ECLI:NL:RVS:2019:2924, onder 3.1.
4.ECLI:NL:RVS:2013:1598, onder 3.5.
5.Artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4367, r.o. 10.2.
7.Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187 en van
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973.