ECLI:NL:RVS:2019:2924
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boete Wet arbeid vreemdelingen wegens ontbreken werkgeverschap
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante], rechtsopvolger van [bedrijf A], een boete van €32.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank matigde deze boete tot €16.000, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. [Appellante] stelde incidenteel hoger beroep in en betoogde dat zij niet als werkgever in de zin van de Wav kan worden aangemerkt omdat zij slechts een dienst heeft afgenomen van een dienstverlener.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat tussen [appellante] en de dienstverlener een zodanige relatie bestond dat [appellante] als werkgever kon worden beschouwd. De aanwezigheid van een coördinator met zicht op de werkzaamheden was onvoldoende onderbouwd. Hierdoor is de boete ten onrechte opgelegd.
Verder stelde [appellante] dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, wat de Afdeling bevestigde. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 wegens deze termijnoverschrijding.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Afdeling vernietigde het besluit van 4 december 2017 en het boetebesluit van 25 oktober 2016 en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werden proceskosten en griffierecht opgelegd aan de staatssecretaris.
Uitkomst: De boete wordt vernietigd wegens ontbreken werkgeverschap en de staatssecretaris moet een schadevergoeding van €500 betalen.