Eiseres heeft op 28 november 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig besloten binnen de wettelijke termijn van zes maanden, die bovendien onrechtmatig met zes maanden werd verlengd zonder geldige opschorting.
Eiseres stelde verweerder op 30 december 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn moet beslissen. Dit volgt uit een eerdere lijn van de rechtbank in vergelijkbare zaken.
Verweerder had verzocht om opschorting van de beslistermijn tijdens de bedenktijd voor alternatieve trajecten, maar de rechtbank wijst dit af omdat het zich beraden over een minnelijke regeling de wachttijd niet opschort.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 11 maart 2026.