Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster op grond van de WIA. De aanvraag werd op 2 januari 2024 ontvangen, maar het UWV heeft nog geen besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat de beslistermijn is overschreden en de ingebrekestelling op 11 maart 2024 door het UWV op 13 maart 2024 is ontvangen. Eiseres heeft bovendien op 18 juni 2025 een aanmaning gestuurd, waardoor het beroep niet onredelijk laat is ingediend.
Het UWV heeft verzocht om een termijn van vier maanden om alsnog te beslissen, vanwege de noodzaak van een zorgvuldige herbeoordeling door een verzekeringsarts. De rechtbank acht deze termijn redelijk en legt deze op, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van €15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 16 maart 2026.