Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1975

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
23/2733
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4 WnbArt. 2.4 WnbArt. 2.7 WnbArt. 6 HabitatsrichtlijnArt. 8:47 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek en benoeming deskundige inzake maximale rekenafstand stikstofdepositie bij intrekking natuurvergunning

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten (GS) van Zeeland om een verzoek tot intrekking van een natuurvergunning voor stikstofuitstoot van 1.171 ton per jaar af te wijzen. De kern van het geschil betreft de vraag of GS terecht de beoordeling van stikstofeffecten heeft beperkt tot Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de inrichting van vergunninghoudster.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het wetenschappelijk debat over de maximale rekenafstand van 25 km voor het model Aerius/OPS nog onduidelijkheden kent. Partijen hebben tegenstrijdige deskundigenrapporten overgelegd, waarbij eiseres stelt dat betrouwbare berekeningen ook buiten 25 km mogelijk zijn, terwijl GS en vergunninghoudster dit betwisten.

Gezien deze onduidelijkheid besluit de rechtbank het onderzoek te heropenen en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige te benoemen. De StAB zal onderzoek doen naar de vraag of de 25 km-rekenafstand ten tijde van het bestreden besluit gebaseerd was op de beste wetenschappelijke kennis. Partijen krijgen gelegenheid om te reageren op de concept-onderzoeksvragen. De beslissing tot intrekking van de vergunning wordt aangehouden totdat het deskundigenonderzoek is afgerond.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en benoemt de StAB als deskundige om te onderzoeken of de maximale rekenafstand van 25 km wetenschappelijk verantwoord was ten tijde van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2733
beslissing van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 tot heropening van het onderzoek en een voornemen tot benoeming van een deskundige in de zaak tussen

Coörperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit Nijmegen , eiseres,

(gemachtigden: mr. drs. M. Haan en mr. drs. H.M. Zwetsloot),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, uit Middelburg, GS,
(gemachtigden: mr. T.E.P.A. Lam en mr. E.C.M. Thoonen).
Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel:
Yara Sluiskil B.V.uit Sluiskil ,
(gemachtigden: mr. C.J. IJdema en mr. D.J. Cremer).

Inleiding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van GS van 28 maart 2023 (bestreden besluit), over het afwijzen van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning van vergunninghoudster.
De rechtbank heeft het beroep op zitting gepland op 10 april 2025. Op 19 februari 2025 heeft eiseres het deskundigenrapport ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen’ van Geetacs van 13 februari 2025 overgelegd. De rechtbank heeft partijen in een brief van 27 maart 2025 medegedeeld dat het beroep op de zitting van 10 april 2025 niet inhoudelijk zou worden behandeld en dat uitsluitend regieafspraken gemaakt zouden worden.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld om regieafspraken te maken. Namens eiseres was mr. drs. M. Haan aanwezig. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, [naam 1] en [naam 2] . Namens vergunninghoudster waren haar gemachtigden, [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] aanwezig. Tijdens de zitting heeft de rechtbank GS en vergunninghoudster een termijn van zes weken gegeven om op het deskundigenrapport te reageren. Dit is schriftelijk bevestigd aan partijen in een brief van 15 april 2025.
Vergunninghoudster heeft op 27 mei 2025 gereageerd op het deskundigenrapport. Vergunninghoudster heeft daarbij het volgende deskundigenrapport overgelegd: ‘Reactie deskundigenrapport Geetacs. Rekennauwkeurigheid van AERIUS’ van SPA WNP ingenieurs van 27 mei 2025. GS heeft op 27 mei 2025 gereageerd op het deskundigenrapport. GS heeft daarbij de memo ‘Reactie LVVN op rapport Geetacs over de maximale rekenafstand’ van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 mei 2025 overgelegd. Eiseres heeft op 30 juni 2025 op de reacties van vergunninghoudster en GS gereageerd en heeft daar een aanvullend deskundigenrapport bijgevoegd: ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen’. Reactie op verweerschrift’ van Geetacs van 2 juli 2025. Op 7 augustus heeft vergunninghoudster opnieuw een reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 27 augustus 2025 opnieuw op zitting gepland.
GS heeft op 8 augustus 2025 een brief naar de rechtbank gestuurd met een aanvulling van de motivering van het bestreden besluit. Eiseres heeft de rechtbank vervolgens verzocht om aanhouding van de zitting. GS en vergunninghoudster hebben daarmee ingestemd. De rechtbank heeft dat aanhoudingsverzoek in een brief van 14 augustus 2025 toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op zitting gepland op 5 februari 2026. De rechtbank heeft partijen op 5 september 2025 een uitnodiging voor de zitting gestuurd. In een afzonderlijke brief heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld: ‘
De rechtbank verzoekt u om eventuele nadere stukken uiterlijk twaalf weken voor de zitting (uiterlijk 27 november 2025) aan de rechtbank en andere partijen toe te zenden’.
Op 7 november 2025 heeft de rechtbank van eiseres een aanvullend deskundigenrapport ontvangen: ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen. Addendum’ van Geetacs van 31 oktober 2025.
Op 27 november 2025 heeft de rechtbank een reactie van GS ontvangen, met een rapport van TNO: ‘Betekenis van de RIVM-gevoeligheidssituatie voor de onderbouwing van de maximale rekenafstand)’ van 23 september 2025. Op 27 november 2025 heeft de rechtbank verder een reactie van vergunninghoudster en eiseres ontvangen. Eiseres heeft bij haar reactie twee rapporten van Geetacs overgelegd: het rapport ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen. Toepassing op Yara / Brabantse Wal’ van 10 september 2025 en het rapport ‘Niet afkappen op 25 km, reactie op een TNO-rapport’ van 11 november 2025.
In een brief van 8 december 2025 heeft de rechtbank aan GS en vergunninghoudster een termijn gegeven tot uiterlijk 12 januari 2026 om op die twee rapporten van eiseres te reageren.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 in Breda op zitting behandeld. Namens eiseres waren haar gemachtigden en drs. [naam 8] (Geetacs) aanwezig. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, ir. [naam 9] (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), [naam 1] en [naam 2] . Namens vergunninghoudster waren haar gemachtigden [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 7] aanwezig.

Tussenbeslissing

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. [1] De rechtbank besluit in deze tussenbeslissing – op basis van de hierna volgende overwegingen – tot heropening van het onderzoek en motiveert het voornemen tot benoeming van een deskundige. [2] In een afzonderlijk op te stellen onderzoeksopdracht zal de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemen. De rechtbank zal partijen eerst in de gelegenheid stellen om te reageren op de concept-vraagstelling.

Overwegingen

1. De feiten
1.1
Vergunninghoudster is een bedrijf dat stikstofmeststoffen en industriële chemicaliën produceert en is gevestigd aan [adres] . Binnen de inrichting is sprake van zes hoofdactiviteiten: de productie van ammoniak, kooldioxide, salpeterzuur, ureum, nitraat en energie. Daarnaast vinden vier nevenactiviteiten plaats: verlading (van in- en uitgaande productstromen), productie van demiwater, het leveren van warmte en CO2 aan het naastgelegen glastuinbouwgebied en het uitvoeren van proeven in proefinstallaties. Op de locatie staan 3 ammoniakfabrieken, 4 CO2-fabrieken, 2 salpeterzuurfabrieken, 3 ureumfabrieken, 2 nitraatgranulatiefabrieken (met brekerij, SIPP-installatie en oplossingsfabrieken) en 1 RePP-installatie (Research Pilot Plant). Bij de productieprocessen worden stikstofverbindingen geëmitteerd naar de lucht.
1.2
Op 31 oktober 2014 heeft GS aan vergunninghoudster een natuurvergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. GS heeft toestemming verleend voor de uitstoot van 1.171 ton stikstof per jaar. Die stikstofuitstoot leidt volgens de natuurvergunning tot stikstofdepositie op verschillende Natura 2000-gebieden in Nederland en België. Volgens GS kon de natuurvergunning worden verleend, omdat uit stikstofberekeningen was gebleken dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zouden worden aangetast. Een passende beoordeling was volgens GS op grond van artikel 19f en 19kd van de Natuurbeschermingswet 1998 niet vereist, omdat de aangevraagde activiteiten niet zouden leiden tot een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden, ten opzichte van een vergunning die op grond van de Wet milieubeheer (Wm) op 15 juli 2008 was verleend aan vergunninghoudster voor de uitstoot van 1.171 ton stikstof per jaar.
1.3
Eiseres heeft GS bij brieven van 14 juli 2022 en 5 augustus 2022 verzocht om alle natuurvergunningen van vergunninghoudster in te trekken op grond van primair artikel 5.4 van de Wnb en subsidiair artikel 2.4 van de Wnb.
1.4
GS heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast. In het kader van die procedure heeft GS op 17 november 2022 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Bij brief van 22 december 2022 heeft eiseres een zienswijze kenbaar gemaakt.
1.5
Bij bestreden besluit heeft GS het verzoek van eiseres aangemerkt als een verzoek om intrekking van de natuurvergunning van 31 oktober 2014 op grond van artikel 5.4, eerste dan wel tweede lid en artikel 2.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). GS heeft besloten om dat verzoek af te wijzen.
1.6
Eiseres heeft daar op 3 mei 2023 beroep tegen ingesteld.
2. Omvang van het geding
2.1
Eiseres heeft GS verzocht om intrekking van de natuurvergunning op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb, artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb én artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat tussen partijen uitsluitend nog in geschil is of GS de natuurvergunning had moeten intrekken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb.
2.2
Eiseres heeft daarnaast in haar beroepschrift drie beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. In een brief van 27 november 2025 heeft eiseres aan de rechtbank medegedeeld dat zij de tweede beroepsgrond intrekt. Op de zitting van 5 februari heeft eiseres de derde beroepsgrond ingetrokken. Gelet daarop zal de rechtbank uitsluitend een oordeel geven over de ‘eerste beroepsgrond’: “GS heeft de effecten buiten 25 km ten onrechte niet in het bestreden besluit betrokken. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl)”.
2.3
Meer specifiek heeft eiseres ter onderbouwing van die beroepsgrond aangevoerd dat GS in strijd met artikel 6, tweede lid, van de Hrl buiten beschouwing heeft gelaten welke effecten vergunninghoudster heeft op Natura 2000-gebieden buiten een straal van 25 km. Het kan volgens eiseres niet zo zijn dat GS die effecten buiten beschouwing mag laten, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in de ViA15-uitspraak lijkt te overwegen, omdat Aerius / OPS onvoldoende houvast biedt om met voldoende mate van zekerheid uitspraken te kunnen doen over de effecten van een project op een Natura 2000-gebied buiten die straal. Volgens eiseres blijkt uit verschillende rapporten van Geetacs, dat Aerius / OPS tot op grotere afstand (25 km) bruikbaar is voor de berekening van stikstofdepositie. Volgens eiseres kan niet worden uitgesloten dat het bedrijf van vergunninghoudster buiten een straal van 25 kilometer leidt tot stikstofdepositie op stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden en habitattypen. Vergunninghoudster emitteert haar stikstofhoudende afgassen namelijk op hoogtes tussen de 33 en 99 meter. In de ViA15-uitspraak (r.o. 36.1) heeft de Afdeling er terecht op gewezen dat voor lage bronnen geldt dat een groter deel binnen 25 km neerslaat dan voor hogere (industriële) bronnen. Dit betekent dat de emissie van vergunninghoudster slechts voor een klein deel neerslaat in de cirkel van 25 km. Daarnaast ligt het bedrijf in het zuidwesten van Nederland, waar de wind tussen de 26% en 52% van de tijd waait uit het zuidwesten of zuiden. Met deze overheersende windrichting waaien de uitgestoten stikstofverbindingen over een groot deel van Nederland. Volgens eiseres blijkt daarnaast uit het RIVM-rapport ‘Bijdrage aan de stikstofdepositie in de natuur vanuit de industrie, het verkeer en de consumenten’ (‘RIVM-briefrapport 2021-0200’) dat vergunninghoudster een bijdrage levert van 1.55 mol per jaar aan de jaarlijkse depositie van stikstofverbindingen op alle hexagonen met stikstofgevoelige habitats in Nederlandse Natura 2000-gebieden.
3. Wettelijk kader en relevante jurisprudentie
3.1
De natuurvergunning van 31 oktober 2014 is verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Ten tijde van het bestreden besluit gold dit als natuurvergunning op grond van artikel 2.7 van de Wnb. [3]
3.2
Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wnb. [4] Op 1 januari 2024 is de Wnb ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. [5] Het verzoek om intrekking van de natuurvergunning is ingediend op 14 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. [6]
3.3
Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb
3.3.1
In artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb stond dat een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, in elk geval werd ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig was ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Hrl. In die bepaling uit de Hrl staat dat lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de Hrl een significant effect zouden kunnen hebben. [7]
3.3.2
Uit jurisprudentie van de Afdeling [8] blijkt dat in deze bepaling besloten ligt dat een grond voor intrekking van een natuurvergunning aanwezig is als sprake is van een dreigende verslechtering of verstoring met significante gevolgen van een habitattype of soort waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend, effecten heeft op die natuurwaarden. Als de intrekking of wijziging van een natuurvergunning kan bijdragen aan het voorkomen van de dreigende achteruitgang van de natuurwaarden, dan kan dat een passende maatregel zijn.
3.3.3
Aan artikel 6, tweede lid, van de Hrl ligt het preventiebeginsel ten grondslag. De te nemen passende maatregelen moeten een anticiperend karakter hebben. Het is lidstaten niet toegestaan te wachten met het treffen van maatregelen tot het moment dat de verslechtering of de significante verstoring daadwerkelijk plaatsvindt. [9] Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) [10] beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt. Het is met andere woorden volgens de Afdeling aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen. [11]
3.3.4
Omdat het college beoordelingsruimte heeft bij de keuze van de passende maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen met significante gevolgen voor natuurwaarden te voorkomen zal het, als die omstandigheden zich voordoen, moeten beslissen of de intrekking van de natuurvergunning als passende maatregel wordt ingezet, dan wel dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Als de intrekking van de natuurvergunning de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van natuurwaarden te voorkomen, dan moet GS de natuurvergunning intrekken.
3.3.5
GS zal in het besluit op een verzoek om intrekking van de natuurvergunning inzichtelijk dienen te maken op welke wijze het invulling heeft gegeven aan de beoordelingsruimte die het heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Als GS de intrekking van de natuurvergunning niet als passende maatregel wil inzetten terwijl dat wel zou kunnen, dan dient GS inzichtelijk te maken dat de intrekking niet de enige passende maatregel is en als dat zo is, waarom de intrekking van de natuurvergunning geen onderdeel hoeft uit te maken van de maatregelen of het pakket van maatregelen dat wel wordt getroffen. GS kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn.
3.3.6
In het geval waarin de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, ziet op een natuurvergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op (zwaar) overbelaste natuurwaarden die onder druk staan en dreigen te verslechteren, is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het volgende van belang. [12]
3.3.7
De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. GS kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. GS moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan GS daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken.
3.3.8
Dit betekent dat GS niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van GS noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft GS daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in artikel 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan GS voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. GS zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat GS inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.
3.3.9
In gevallen waarin een daling van stikstofdepositie ter voorkoming van verslechtering van natuurwaarden nodig is, kunnen maatregelen die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie niet worden betrokken bij de vraag of intrekking van een natuurvergunning, die alleen ziet op activiteiten met stikstofdepositie, nodig is als passende maatregel. Bij die vraag kan GS in zijn beoordelingsruimte alleen passende maatregelen betrekken die zien op het reduceren van stikstofdepositie. [13]
3.4 25
kilometer-afkap (ViA15-uitspraak)
3.4.1
In artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming (Rnb) [14] stond: voor de vaststelling of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, afzonderlijk of in combinatie met plannen of andere projecten significante gevolgen kan hebben voor dat gebied door het veroorzaken van stikstofdepositie in het gebied op een voor stikstof gevoelige habitat, wordt de stikstofdepositie berekend met Aerius Calculator (hierna: Aerius). [15]
3.4.2
Aerius is een Operationele Prioritaire Stoffen-model (OPS). Dit is een rekenprogramma om de verspreiding van verontreinigde stoffen in de lucht na te bootsen. Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare op bodem of gewas terechtkomt (depositie). Het model wordt gebruikt om de concentratie of depositie van stoffen op de schaal van Nederland te bepalen. OPS kan ook op kleinere schaal worden gebruikt om de immissiebijdrage en depositiebijdrage van projecten te berekenen. Voor de specifieke bronbijdragen wordt gerekend met bronemissies. Het soort bron (punt-, oppervlakte, of lijnbron) bepaalt de manier van berekenen. OPS is een combinatie van een Gaussisch pluimmodel en een trajectoriemodel. [16]
3.4.3
Aerius bevat sinds 20 januari 2022 voor alle emissiebronnen een maximale rekenafstand van 25 km. Die rekenafstand is gebaseerd op onderzoek naar de vraag of er wetenschappelijk gezien aanknopingspunten zijn voor een maximale rekenafstand tot waar de depositie van stikstof is toe te rekenen aan verschillende emissiebronnen. Dat onderzoek heeft geleid tot de volgende – aan de maximale rekenafstand ten grondslag gelegde – rapporten: ‘Verkenning afstandsgrens project-specifieke depositieberekeningen (RIVM-briefrapport 2021-0115) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de notitie ‘Afbakening in de modellering van depositiebijdragen van individuele projectbijdragen’ van TNO van 6 juli 2021. [17]
3.4.4
De Afdeling [18] heeft in de ViA15 uitspraak van 5 april 2023 overwogen dat bij de berekening van stikstofdepositie uitgegaan mag worden van een rekenafstand van 25 km. Dat is de grens is waarbinnen met het rekenmodel OPS nog wetenschappelijk betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de depositie van een individuele bron. Volgens de Afdeling bestaat er een wetenschappelijke noodzaak voor een begrenzing in rekenafstand voor individuele bronberekeningen. Het toepassingsbereik geeft aan waar het model betrouwbare uitspraken kan doen. Die begrenzing wordt bepaald door de mate waarin een berekende waarde overeenkomt met de redelijkerwijze te verwachten werkelijkheid. Om de werkelijkheid goed te beschrijven en daarmee de causale relatie tussen de emissie van een project en de depositie op een natuurgebied vast te stellen dient een model aan de volgende eisen te voldoen:
de modeltheorie moet geldig zijn voor de beoogde toepassing;
de modelresultaten moeten zijn getoetst aan experimentele gegevens (validatie);
de onzekerheid in de modelresultaten blijft binnen wetenschappelijk acceptabele grenzen. [19]
3.4.5
Aan de hand van deze drie technisch modelmatige argumenten is volgens de Afdeling voldoende gemotiveerd dat het toepassingsbereik van OPS voor individuele bronberekeningen redelijkerwijs begrensd kan worden op 25 km. In de onder 3.4.3 genoemde notitie van TNO is volgens de Afdeling overtuigend onderbouwd dat een Gaussisch pluimmodel in Nederland een toepassingsbereik heeft van 25 km. Dat toepassingsbereik is door een aantal deskundigen ook vastgesteld voor het Nieuw Nationaal Model (NNM), dat ook een Gaussisch pluimmodel is. Bovendien wordt ook in ons omringende landen uitgegaan van een toepassingsbereik van 10 of 20 km bij dergelijke modellen. Het toepassingsbereik van het Gaussisch pluimmodel voor individuele bronberekeningen wordt voorts begrensd doordat dit model voor berekeningen van individuele bronbijdragen niet is gevalideerd voor afstanden groter dan 20 km. Uit de enkele validaties die wel beschikbaar zijn tot 20 km komt naar voren dat de resultaten over het algemeen nauwkeurig zijn tot een factor 2. Omdat de onzekerheid toeneemt bij toenemende afstand tot de bron is aannemelijk dat de onzekerheid in de berekende depositiebijdrage van een individuele bron op afstanden buiten 25 kilometer groter is dan een factor 2. [20]
3.4.6
Vervolgens heeft de Afdeling geoordeeld dat de toepassing van een rekenafstand
niet in strijd is met artikel 6, derde lid, van de Hrl, omdat die rekenafstand – bij de huidige stand van de wetenschap en techniek – het toepassingsbereik van OPS voor individuele bronberekeningen weergeeft. Met andere woorden: de toepassing van een rekenafstand is volgens de Afdeling gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake en daarom niet in strijd met artikel 6, derde lid, van de Hrl. De Afdeling is van oordeel dat met een berekening van de depositiebijdrage van een plan of project met OPS, waarbij rekening wordt gehouden met het toepassingsbereik dat OPS voor dat doel heeft, de gevolgen van een plan of project, rekening houdend met de beste wetenschappelijke kennis ter zake, voor de betrokken Natura 2000-gebieden worden geïnventariseerd. Om die reden voldoet het volgens de Afdeling aan de eisen die het Hof aan een passende beoordeling stelt. [21]
3.4.7
Dat OPS voor individuele bronberekeningen een toepassingsbereik heeft van 25 km, betekent volgens de Afdeling niet dat op grotere afstand geen deposities meer optreden. De depositiebijdragen buiten 25 km zijn onderdeel van de totale depositie in Nederland. De overheid is verantwoordelijk voor het treffen van instandhoudings- of passende maatregelen voor het behoud of het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten als gevolg van de totale deposities. Dat zijn verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Hrl. [22]
4. Bestreden besluit en de aanvullende motivering
4.1
Eiseres heeft GS verzocht om de natuurvergunning van vergunninghoudster van 31 oktober 2014 in te trekken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. In het bestreden besluit heeft GS dat verzoek afgewezen. GS heeft besloten dat op grond van die bepaling geen verplichting bestond om de natuurvergunning in te trekken, ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Hrl.
4.2
Bij de beoordeling van het verzoek heeft GS uitsluitend Natura 2000-gebieden betrokken die binnen 25 km zijn gelegen van emissiebronnen van vergunninghoudster. Dit zijn de volgende Natura 2000-gebieden: Canisvliet, Groote Gat, Vogelkreek, Westerschelde & Saeftinghe en Yerseke en Kapelse Moer. Vergunninghoudster veroorzaakt stikstofdepositie op deze vijf Natura 2000-gebieden. Om te beoordelen of sprake was van een (dreigende) verslechtering en/of verstoring heeft GS stikstofanalyses laten uitvoeren op deze Natura 2000-gebieden. Per natuurgebied is voor alle habitattypen in kaart gebracht wat de achtergronddepositie was in 2018 en zal zijn in 2030 en hoe deze zich verhoudt tot de kritische depositiewaarden (KDW). GS heeft aan de hand van die stikstofanalyses vastgesteld dat vier van de vijf Natura 2000-gebieden geen overbelaste hexagonen bevatten of dat deze overbelasting verdwijnt als gevolg van de verwachte autonome daling. Uit de stikstofanalyse bleek volgens GS dat in Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer sprake was van een huidige overbelasting van stikstofdepositie. Uit de analyse bleek dat in 2030 geen overbelasting meer aanwezig zal zijn, maar dat dan op 1 hexagoon (8 m2 habitattype ‘Schorren en zilte graslanden (Binnendijks)) sprake zal zijn van een naderende overbelasting. GS heeft vervolgens onderzocht of ten behoeve van Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer overgegaan moest worden tot het intrekken van de natuurvergunning. GS heeft besloten dat intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Hrl, omdat de (dreigende) verslechtering van de natuurwaarden in het gebied wordt voorkomen door een pakket van andere passende maatregelen die in de provincie Zeeland worden getroffen ter reductie van stikstofdepositie. Als onderdeel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering worden verschillende bron- en herstelmaatregelen getroffen om te voldoen aan de omgevingswaarden voor stikstofdepositie. [23] De provincie heeft daarnaast de Zeeuwse aanpak stikstof vastgesteld en in het kader van die aanpak worden maatregelen voor stikstofreductie en natuurherstel getroffen. Binnen de provincie is daarnaast het ‘Programma natuur Zeeland’ opgesteld. Dat programma voorziet voor Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer in een maatregelenpakket met onder andere maatregelen die zijn gericht op de reductie van de stikstofemissie rondom dat natuurgebied. Daarnaast worden de komende jaren (2023 – 2030) in het natuurgebied fysieke maatregelen genomen ter verbetering van de natuurconditie. Voor voorbeelden van maatregelen verwijst GS naar het Programma Natuur Zeeland, het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 van de provincie Zeeland [24] en de gebiedsanalyses en beheersplannen van het Natura 2000-gebied.
4.3
Op 8 augustus 2025 heeft de rechtbank van GS een brief ontvangen met een aanvullende motivering van het bestreden besluit. GS stelt in die aanvullende motivering opnieuw dat bij vier van de vijf Natura 2000-gebieden geen sprake is of zal zijn van een stikstofoverbelasting in 2020, 2025 en 2030. In de aanvullende motivering schrijft GS dat er bij Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe sprake is en zal zijn van een stikstofoverbelasting. GS verwijst naar de rapporten ‘Onderzoek stikstofdepositie. Onderbouwing intern salderen’ van SPA WNP van 17 februari 2023 en van 20 juli 2023. Uit die rapporten blijkt dat de activiteiten van vergunninghoudster op de volgende habitattypen in de Westerschelde & Saeftinghe stikstofeffecten hebben, waarbij overschrijding van de KDW aan de orde is: H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal), H1320 Slijkgrasvelden, H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks), H2120 Witte duinen, H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en H2130A Grijze duinen (kalkrijk). Uit Aerius monitor M22 blijkt volgens GS dat voor habitattypen H1310A, H1320 en H1330A geen sprake was van een relevant percentage oppervlakte (0,0023%, 0,039% en 0,0003%) dat overbelast was in 2022 en dat deze overbelasting volgens de prognoses in 2030 verdwenen is. Voor habitattype H2120 was het percentage dat overbelast was in 2022 2.2% en zal deze volgens de prognoses ook in 2030 verdwenen zijn. Volgens GS blijkt uit het beheerplan en de gebiedsanalyse van het Natura 2000-gebied, dat de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattype H2190B worden gehaald en dat daar geen sprake is van een (dreigende) verslechtering. Ten aanzien van habitattype H2130A heeft GS opgemerkt dat in 2030 slechts sprake is van een minimale overbelaste situatie op één hexagoon (2471054): van 1 mol/ha/jaar. Voor zover er in de betrokken Natura 2000-gebieden al sprake is van een (dreigende) verslechtering van de natuurwaarden, wordt deze volgens GS voorkomen door het treffen van andere passende maatregelen. Die zijn in het bestreden besluit en het verweerschrift van 17 november 2023 toegelicht. Gelet daarop blijft GS bij de conclusie dat intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Hrl.
5. Beoordeling
5.1
Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat in Nederland sprake is van stikstofcrisis. Veel natuurgebieden in Nederland kampen met een stikstofoverbelasting. Die overbelasting kan leiden tot vermesting en verzuring in het natuurgebied. In dat geval bestaat het risico dat de natuurwaarden binnen het gebied worden aangetast. Op 31 oktober 2014 heeft GS aan vergunninghoudster een natuurvergunning verleend. Ten tijde van het bestreden besluit gold dit als natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. [25] GS heeft vergunninghoudster toestemming verleend voor een totale stikstof uitstoot van 1.171 ton per jaar. Uit bijlage 1 bij die natuurvergunning blijkt dat er ten tijde van de vergunningverlening vanuit werd gegaan dat dit stikstofdepositie tot gevolg had op de daar genoemde Natura 2000-gebieden. In die bijlage staan ook Natura 2000-gebieden genoemd die zijn gelegen op een afstand van meer dan 25 kilometer.
5.2
Eiseres heeft GS verzocht om intrekking van die natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Uit overweging 3.3 van deze uitspraak blijkt dat GS – kort samengevat – verplicht is om de natuurvergunning op grond van die bepaling in te trekken, wanneer (1) in de natuurvergunning toestemming is verleend voor een project met significante gevolgen voor de natuurwaarden binnen één of meerdere Natura 2000-gebied(en), (2) sprake is van (dreigende) verslechteringen of significante verstoringen ten aanzien van die natuurwaarden in dat of die Natura 2000-gebied(en) en (3) intrekking van de natuurvergunning de enige passende maatregel is die kan worden getroffen om die (dreigende) achteruitgang van natuurwaarden te voorkomen.
5.3
GS heeft de beoordeling van het verzoek om intrekking – de toets aan die drie onderdelen – beperkt tot Natura 2000-gebieden in een straal van 25 km rondom de inrichting van vergunninghoudster. Dit betreft de Natura 2000-gebieden: Canisvliet, Groote Gat, Vogelkreek, Westerschelde & Saeftinghe en Yerseke en Kapelse Moer. Tussen partijen is in geschil of GS de beoordeling van het intrekkingsverzoek daartoe op grond van artikel 6, tweede lid, van de Hrl mocht beperken.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van een verzoek om intrekking in ieder geval wordt beperkt door de tekst en strekking van dat verzoek. In het verzoek om intrekking van de natuurvergunning van eiseres van 14 juli 2022 staat dat wordt verzocht om intrekking van de natuurvergunning, omdat de emissies van vergunninghoudster bijdragen aan de overbelasting van verschillende Nederlandse Natura 2000-gebieden. In het bijzonder gaat het volgens het verzoek om Canisvliet, Westerschelde & Saeftinghe, Vogelkreek, Groote Gat, Yerseke en Kapelse Moer, Brabantse Wal, Markiezaat en Oosterschelde. Uit het verzoek blijkt redelijkerwijs niet ondubbelzinnig dat eiseres haar verzoek heeft beperkt tot die negen Natura 2000-gebieden.
5.5
Uit rechtspraak van het Hof en een mededeling van de Europese Commissie [26] uit 2018 leidt de rechtbank af dat de beoordeling of een natuurvergunning als passende maatregel moet worden ingetrokken, moet worden beoordeeld volgens soortgelijke criteria en methoden als die welke zijn gebruikt bij het verlenen van de natuurvergunning (het toepassen van artikel 6, derde lid, van de Hrl). Uit die rechtspraak blijkt namelijk dat het Hof heeft overwogen dat artikel 6, tweede lid, van de Hrl en artikel 6, derde lid, van de Hrl als coherent geheel moeten worden uitgelegd. Dat betekent volgens het Hof dat die bepalingen beogen natuurlijke habitats en habitats van soorten hetzelfde beschermingsniveau te garanderen.
5.6
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de – in overweging 5.2 geschetste – beoordeling of een natuurvergunning als passende maatregel moet worden ingetrokken aan dezelfde criteria moet voldoen als de beoordeling van een aanvraag om een natuurvergunning. Uit de rechtspraak van het Hof over artikel 6, derde lid, van de Hrl blijkt dat de daarvoor vereiste beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. [27] De rechtbank is van oordeel dat uit het Europees natuurbeschermingsrecht volgt dat diezelfde criteria gelden voor de beoordeling of een natuurvergunning moet worden ingetrokken als passende maatregel op grond van artikel 6, tweede lid, van de Hrl. Dat betekent dat die beoordeling ook plaats dient te vinden op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake. Vervolgens is het de vraag of het hanteren van een maximale rekenafstand van 25 km voor stikstofdepositie was gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake ten tijde van het bestreden besluit.
5.7
De Afdeling heeft in de ViA15-uitspraak overwogen dat het hanteren van een maximale rekenafstand van 25 km voor stikstofdepositie is gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake. [28] De rechtbank gaat ervanuit dat de Afdeling dit ex tunc heeft beoordeeld naar het moment van het bestreden besluit van 7 september 2021.
5.8
Uit de verschillende standpunten en deskundigenrapporten – die dateren van ná de ViA15-uitspraak – die door partijen zijn ingediend in deze procedure leidt de rechtbank af dat tussen partijen in geschil is of het hanteren van een maximale rekenafstand van 25 km voor stikstofdepositie ten tijde van het in deze zaak bestreden besluit was gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake. Als de staat van de wetenschap het ten tijde van het bestreden besluit mogelijk maakte om stikstofdepositie wetenschappelijk betrouwbaar te berekenen op een grotere afstand, was het hanteren van een rekenafstand van 25 km bij de beoordeling van het intrekkingsverzoek naar het oordeel van de rechtbank niet gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake. Tussen partijen is niet in geschil dat een onzekerheidsmarge van factor 2 een gangbaar criterium is om de zekerheid (betrouwbaarheid) van een stikstofberekening te wegen. Ook de rechtbank zal daarvan uitgaan.
5.9
Eiseres heeft – kort samengevat – aangevoerd dat GS de effecten buiten 25 km ten onrechte niet in het bestreden besluit heeft betrokken. Volgens eiseres kan niet worden uitgesloten dat het bedrijf van vergunninghoudster buiten een straal van 25 kilometer leidt tot stikstofdepositie op stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden. Volgens eiseres blijkt uit verschillende rapporten van Geetacs, dat Aerius tot op grote afstand (verder dan 25 km) bruikbaar is voor een betrouwbare berekening van stikstofdepositie. Geconcludeerd wordt in die rapporten dat OPS de totale depositie vanuit een individuele bron op veel hexagonen nauwkeurig (ruim binnen een factor 2) kan berekenen door middel van een berekening van het gemiddelde van de depositie. De bijdrage van een individueel project aan stikstofdepositie tot op een grote afstand van het projectgebied kan daarom worden beoordeeld met OPS. Eiseres heeft erop gewezen dat de gemiddeldenberekening door het RIVM in 2021 ook is gebruikt in het rapport ‘Bijdrage aan de stikstofdepositie in de natuur vanuit de industrie, het verkeer en de consumenten’ (‘RIVM-briefrapport 2021-0200’). Het standpunt van eiseres wordt volgens Geetacs ook bevestigd in het rapport ‘Uncertainty in calculated nitrogen deposition from individual sources‘ van het RIVM van 19 september 2025. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres de volgende rapporten van Geetacs overgelegd:
  • ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen’ van 13 februari 2025;
  • ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen. Reactie op verweerschrift’ van 2 juli 2025;
  • ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen. Addendum’ van 31 oktober 2025;
  • ‘Rekennauwkeurigheid van Aerius voor één bron, vele hexagonen. Toepassing op Yara / Brabantse Wal’ van 10 september 2025;
  • ‘Niet afkappen op 25 km, reactie op een TNO-rapport’ van 11 november 2025.
5.1
GS heeft – kort samengevat – aangevoerd dat Aerius met een maximale rekenafstand van 25 km de beste beschikbare techniek is om stikstofdepositie in kaart te brengen. Daarbuiten kunnen stikstofdeposities niet betrouwbaar worden toegerekend aan een project. Sinds de ViA15-uitspraak zijn er geen nieuwe inzichten die nopen tot aanpassing van de maximale rekenafstand. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft GS de volgende stukken overgelegd:
  • Memo ‘Reactie LVVN op rapport Geetacs over de maximale rekenafstand’ van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 mei 2025;
  • Rapport ‘Betekenis van de RIVM-gevoeligheidsstudie voor de onderbouwing van de maximale rekenafstand’ van TNO van 23 september 2025.
5.11
Vergunninghoudster heeft – kort samengevat – aangevoerd dat GS de beoordeling gelet op de ViA15-uitspraak terecht heeft beperkt tot Natura 2000-gebieden in een straal van 25 kilometer. Alleen voor deze gebieden kan de stikstofbijdrage van vergunninghoudster met voldoende wetenschappelijke betrouwbaarheid worden berekend. De gemiddelde depositie over meerdere hexagonen kan niet gebruikt worden om een uitspraak te doen over de gevolgen van een individueel project voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van een objectieve ontwikkeling of een nieuw wetenschappelijk inzicht dat ertoe zou moeten leiden dat de 25 km-afkap niet in stand kan blijven. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft vergunninghoudster het rapport ‘Reactie deskundigenrapport Geetacs, Rekennauwkeurigheid van AERIUS’ van SPA WNP van 27 mei 2025 overgelegd.
5.12
De rechtbank acht Geetacs, TNO, SPA WNP en het RIVM deskundig op het gebied van stikstofdepositieberekeningen en kan op basis van de haaks op elkaar staande en zeer technische standpunten van de deskundigen op dit moment niet vaststellen of het hanteren van een maximale rekenafstand van 25 km voor stikstofdepositie bij de beoordeling van het intrekkingsverzoek ten tijde van het in deze zaak bestreden besluit (28 maart 2023) was gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis ter zake. Meer specifiek is het voor de rechtbank op dit moment nog onduidelijk of uit de rapporten van Geetacs blijkt of het gelet op de stand van de wetenschap ten tijde van het bestreden besluit mogelijk was om met Aerius / OPS en de door Geetacs genoemde rekenmethode (gemiddeldenberekening) op betrouwbare wijze (met een onzekerheidsmarge van factor 2) te berekenen of en welke stikstofdepositie als gevolg van een individueel project terechtkomt op Natura 2000-gebieden op een grotere afstand van 25 km. Dat het RIVM in het RIVM-briefrapport 2021-0200 in 2021 al met die methode heeft berekend dat de stikstofuitstoot van vergunninghoudster leidt tot stikstofdepositie op gebieden op een grotere afstand, zou er mogelijk op kunnen duiden dat de rekenmethode van Geetacs ten tijde van het bestreden besluit de beste wetenschappelijke kennis ter zake was. Gelet daarop acht de rechtbank het noodzakelijk dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige in deze zaak onderzoek verricht naar de vraag of GS redelijkerwijs heeft kunnen aansluiten bij de 25 km-grens. De rechtbank zal de StAB daarom opdragen onderzoek te verrichten. De rechtbank neemt zich voor om de StAB te verzoeken om – op basis van de door partijen overgelegde expertiserapporten, bestaande wetenschappelijke kennis en het dossier – antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen:
Was het gelet op de stand van de wetenschap ten tijde van het bestreden besluit (28 maart 2023) mogelijk om met Aerius / OPS een betrouwbare berekening te maken van de stikstofdepositie van de inrichting van vergunninghouder op Natura 2000-gebieden op een afstand groter dan 25 km? Betrek bij uw antwoord op deze vraag in ieder geval de door eiseres naar voren gebrachte rapportages van Geetacs en de daarin genoemde berekening van de gemiddelde depositie van één bron op meerdere hexagonen;
Wordt met die berekening voldaan aan de tussen partijen niet in geschil zijnde onzekerheidsmarge (maximaal factor 2)?;
Maakt het voor de uitkomst uit of het gaat om een groot Natura 2000-gebied met veel stikstofgevoelige natuur of dat het gaat om een relatief kleiner Natura 2000-gebied met minder stikstofgevoelige delen?
De StAB zal een termijn van zes maanden worden gegeven om dat onderzoek te verrichten. Die termijn is voorafgaand aan deze tussenbeslissing afgestemd met de StAB.
6. Tussenconclusie
6.1
De rechtbank acht het gelet op het voorgaande noodzakelijk dat de StAB als deskundige in deze zaak onderzoek verricht en daarvan schriftelijk verslag uitbrengt. De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen.
6.2
Voordat de rechtbank de StAB door middel van een onderzoeksopdracht benoemt, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om hun wensen omtrent het onderzoek binnen vier weken na verzending van deze beslissing kenbaar te maken. Meer specifiek verzoekt de rechtbank partijen om binnen die periode te reageren op de onderzoeksvraag. [29]
6.3
De rechtbank zal zo spoedig mogelijk ná het verstrijken van die termijn de StAB opdragen onderzoek te verrichten, overeenkomstig een op te stellen onderzoeksopdracht.
6.4
Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van de proceskosten. Nu het onderzoek wordt heropend, kan de rechtbank over dat verzoek nu nog geen beslissing nemen.

De beslissing

De rechtbank:
  • heropent het onderzoek;
  • bepaalt dat de StAB als deskundige zal worden opgedragen onderzoek te verrichten overeenkomstig de nog op te stellen onderzoeksopdracht en om daarvan schriftelijk verslag uit te brengen;
  • bepaalt dat partijen voorafgaand aan het opstellen van de onderzoeksopdracht tot vier weken na verzending van deze tussenbeslissing de tijd krijgen om te reageren op de onderzoeksvraag en indien gewenst andere wensen over het onderzoek van de StAB kenbaar te maken;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.P. Broeders, voorzitter, mr. M.J. Schouw, en, mr. T.I. Term leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 19 maart 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de beslissing in deze zaak.

Voetnoten

1.Artikel 8:65, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 8:68, eerste lid, en 8:47, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 9.4, eerste lid, van de Wnb.
4.Vanaf de inwerkingtreding van de Wnb op 1 januari 2017, gold de natuurvergunning van 31 oktober 2014 die was verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 als een natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op grond van artikel 9.4, eerste lid, van de Wnb.
5.Op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
6.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:129.
7.Die verplichting was geïmplementeerd in artikel 2.2, tweede lid, van de Wnb.
8.ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 6.6; ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 10.1 en ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:363, r.o. 7.2.
10.HvJ EU 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 40 en 41.
11.ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 7, 7.1 en 7.2 en ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 10.2, 10.3 en 10.4.
12.ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 7.3 en ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 10.5, 10.6 en 10.7.
13.ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:363, r.o. 10.1.
14.Gebaseerd op artikel 2.9, vierde lid, van de Wnb.
15.Deze bepaling staat onder huidig recht in artikel 4.15 van de Omgevingsregeling.
16.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 12 en 22.
17.Staatscourant 2022, nr. 713, p. 18 en ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 13.1.
18.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 1.3 en 29.
19.Blijkt volgens de Afdeling uit een stuk die in die procedure is ingediend: ‘Reactie van TNO op bevindingen en conclusies STAB met betrekking tot de wetenschappelijke onderbouwing van de maximale rekenafstand van 25 km in AERIUS Calculator van 29 september 2022’.
20.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 34.
21.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 35.3.
22.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 36.2 en 36.3.
23.Die waren opgenomen in artikel 1.12a van de Wnb en inmiddels in artikel 2.15a, eerste lid, van de Ow.
24.Te raadplegen op zeeland.nl.
25.Artikel 9.4, eerste lid, van de Wnb.
26.HvJ EU 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:220, r.o. 32 en HvJ 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 52 en 54 en zie Europese commissie, Beheer van Natura 2000 Gebieden. De bepalingen van artikel 6 van Pro de habitatrichtlijn (92/43/EEG) (C 2018 7621), p. 32.
27.HvJ EU 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:583, r.o. 51 en HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:593, r.o. 40.
28.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, r.o. 35.3.
29.Met toepassing van artikel 8:47, derde lid, van de Awb.