ECLI:NL:RVS:2024:129
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- G.T.J.M. Jurgens
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering natuurvergunning voor pluimveehouderij wegens niet-vergunningplicht
Appellanten hebben een natuurvergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pluimveehouderij met 68.000 vleeskuikens. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft deze aanvraag geweigerd omdat geen vergunning nodig is, aangezien de situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van appellanten tegen deze weigering ongegrond verklaard. Appellanten stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het college geen vergunning kan verlenen als deze niet nodig is, en vroegen om rechtszekerheid door omzetting van de positieve weigering in een toestemmingsbesluit.
De Raad van State overweegt dat de wetswijziging per 1 januari 2020, waarbij projecten zonder toename van stikstofdepositie niet langer vergunningplichtig zijn, correct is toegepast. De Afdeling bevestigt dat het college niet bevoegd is een vergunning te verlenen voor een niet-vergunningplichtige activiteit en dat rechtszekerheid niet kan worden afgedwongen door het verlenen van een vergunning.
De Raad wijst erop dat de wetgever voornemens is om intern salderen weer vergunningplichtig te maken, maar dat dit aan de wetgever is en niet aan de bestuursrechter. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de natuurvergunning bevestigd.