ECLI:NL:RBZWB:2026:1976

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/1364 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a WAOArt. 36a WAOArt. 57 WAOArt. 80 WAOArt. 23 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden in België

Eiser ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering en werd op grond van een anonieme melding onderzocht door het UWV vanwege vermoedelijke werkzaamheden in België. Uit onderzoek van het Internationaal Bureau Fraude-informatie en verklaringen van de werkgever [bedrijf] bleek dat eiser van 2006 tot 2020 in België heeft gewerkt en inkomsten heeft ontvangen, zonder dit te melden aan het UWV.

Het UWV herzag de uitkering met ingang van 1 januari 2019 en vorderde de onterecht ontvangen bedragen over 2019 en 2020 terug, tezamen met een boete wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser betwistte de werkzaamheden en stelde mogelijk sprake van identiteitsfraude, alsmede dat terugvordering vanwege zijn psychische en financiële situatie onredelijk was.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd en dat eiser geen tegenbewijs had aangedragen. De stelling van identiteitsfraude werd niet aannemelijk geacht. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. De boete werd als proportioneel beoordeeld gezien de ernst van de overtreding en de draagkracht van eiser.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de herziening, terugvordering en boete. De invordering staat voorlopig stil vanwege de beslagvrije voet. Eiser heeft geen recht op vergoeding van kosten of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en boete van het UWV worden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1364 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en oplegging van een boete. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV dat bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Eiser ontvangt sinds 25 mei 1994 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3.2
Op 14 november 2022 heeft het UWV een anonieme melding ontvangen dat eiser werkzaam zou zijn in België.
3.3
Naar aanleiding van deze melding is het UWV een onderzoek gestart. Hieruit is gebleken dat eiser twee auto’s op zijn naam heeft. Daarnaast heeft het UWV aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht om een onderzoek te starten. IBF heeft laten weten dat eiser van 2006 tot 2020 heeft gewerkt bij [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) en voordien van 2001 tot 2006 heeft gewerkt als uitzendkracht. IBF heeft daarbij een overzicht van de tewerkstellingsgeschiedenis gevoegd. In de brieven van 27 november 2023 en 18 december 2023 heeft IBF de werkzaamheden van eiser nogmaals bevestigd. Ook [bedrijf] bevestigt in de verklaring van 17 december 2020 dat eiser vanaf 9 oktober 2006 in dienst is bij haar en er loon werd uitbetaald op een Belgische bankrekening.
Vervolgens heeft het UWV eiser op 20 november 2023 en 24 januari 2024 gehoord.
3.4
Met de primaire besluiten van 5 augustus 2024 heeft het UWV eisers WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2019 herzien en de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 ten bedrage van € 25.462,53 (bruto) teruggevorderd, omdat eiser in deze periode bij [bedrijf] gewerkt heeft.
Daarnaast heeft het UWV eiser vanwege schending van de inlichtingenplicht een boete van € 40,- opgelegd. Het UWV stelt dat eiser niet doorgegeven heeft dat hij in de periode van
20 augustus 2001 tot en met 8 oktober 2006 heeft gewerkt voor verschillende uitzendbureaus en in de periode van 9 oktober 2006 tot en met 17 december 2020 bij [bedrijf] .
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar opgevat als te zijn gericht tegen de primaire besluiten.
3.5
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft het UWV eisers bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het UWV is er diepgaand onderzoek verricht en blijkt daaruit dat eiser inkomsten heeft gehad. Eiser heeft bij [bedrijf] in België gewerkt. [bedrijf] heeft gegevens verstrekt over eisers dienstverband en inkomsten. Ook van de zusterorganisatie van het UWV in België heeft het UWV informatie ontvangen over eisers inkomen in België. Het UWV stelt dan ook terecht eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering te hebben herzien en teruggevorderd en terecht aan hem een boete te hebben opgelegd. Eiser heeft niet aan het UWV doorgegeven dat hij werkzaam was. Dit is verwijtbaar. De maximale boete in eisers situatie is € 5.533,33. Op grond van eisers financiële gegevens is vastgesteld dat hij dit bedrag niet kan betalen. De boete is vastgesteld op het bedrag dat hij wel zou kunnen betalen: € 40,-.
3.6
Met het besluit van 28 januari 2025 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij de terugvordering voorlopig niet hoeft te betalen, omdat zijn inkomen lager is dan de beslagvrije voet.
Beroep
4.1
Eiser betwist werkzaamheden te hebben verricht. Volgens eiser heeft het UWV dat niet aangetoond. Er is (mogelijk) sprake van identiteitsfraude.
4.2
Daarnaast had het UWV op grond van dringende redenen – vanwege eisers psychische problematiek en financiële situatie – af moeten zien van terugvordering. Door eisers psychische problematiek is het evident dat hij tot zijn pensioen geen loonvormende arbeid kan verrichten. Eiser ontvangt al jaren een WAO-uitkering en kan zijn inkomenspositie niet verbeteren. Het UWV heeft besloten om vanwege eisers financiële situatie de boete te matigen. Dat had hij ook moeten doen voor wat betreft de terugvordering. Het is daarbij onvoldoende dat eiser wordt beschermd door de beslagvrije voet.
4.3
Eiser stelt dat onduidelijk is waarom de terugvordering beperkt is tot 2019 en 2020 en verzoekt om vergoeding van de gemaakte kosten, kosten van de eigen bijdrage in verband met rechtshulp en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Op zitting heeft eisers gemachtigde het verzoek om vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage in verband met rechtshulp ingetrokken.
Verweer
5.1
Het UWV stelt in reactie op de beroepsgronden en aanvullend dat uit onderzoek is gebleken dat eiser al vanaf 20 augustus 2001 inkomsten uit arbeid had. (Een deel van zijn) WAO-uitkering is daarom sinds 20 augustus 2001 onverschuldigd betaald. Een groot deel van deze terugvordering is inmiddels verjaard. Het UWV is eind 2023 bekend geraakt met voormelde omstandigheden. Het UWV gaat er daarom van uit dat hij alleen de uitkering die in 2019 en 2020 onverschuldigd is betaald, nog kan terugvorderen.
5.2
Met betrekking tot eisers stelling dat hij niet heeft gewerkt bij [bedrijf] en er sprake is van identiteitsfraude verwijst het UWV naar informatie van het IBF en [bedrijf] . Hieruit blijkt volgens het UWV duidelijk dat eiser bij [bedrijf] heeft gewerkt in de betreffende periode.
Het UWV vindt het niet aannemelijk dat er sprake van identiteitsfraude zou zijn. De gegevens die bij [bedrijf] van eiser geregistreerd staan, zoals adres, geboorteplaats en -datum, nationaliteit, komen exact overeen met eisers feitelijke gegevens. Daarnaast vindt het UWV deze stelling ongeloofwaardig, omdat eiser bij meerdere werkgevers inkomsten heeft gehad en niet geloofwaardig is dat er bij al die werkgevers sprake is geweest van identiteitsfraude.
Het is aan eiser om tegenbewijs te leveren. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij niet heeft gewerkt bij [bedrijf] of dat er sprake is van identiteitsfraude. Niet is gebleken dat eiser inmiddels aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude.
5.3
Tot slot stelt het UWV dat er geen aanleiding is vanwege dringende redenen de terugvordering te matigen of daarvan af te zien.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ernstige psychische klachten die het rechtstreeks gevolg zijn van de terugvordering. Uit de verklaring van eiser blijkt dat zijn psychische klachten al bestonden voordat de primaire besluiten van 5 augustus 2024 genomen werden. Daarmee zijn die klachten niet het gevolg van die beslissingen.
Ook in de financiële situatie van eiser ziet het UWV geen aanleiding om dringende redenen aan te nemen. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de invordering de schuldenaar bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet. Daarnaast worden de gevolgen van de terugvordering beperkt door de regels over kwijtschelding. In zijn algemeenheid wordt hiermee voldoende tegemoet gekomen aan het recht op bestaanszekerheid. Omdat eiser momenteel geen aflossingscapaciteit heeft, hoeft hij op dit moment ook niets te betalen.
Eisers stelling dat hij tot aan zijn pensioen niet in staat zal zijn om loonvormende arbeid te verrichten, volgt het UWV niet. Behalve dat eiser dat standpunt niet heeft onderbouwd, blijkt uit onderzoek dat eiser jarenlang zonder problemen heeft kunnen werken.
5.4
Het UWV vindt herziening en terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel en niet onevenredig. Het UWV betrekt daarbij dat eiser ruim 14 jaar fulltime gewerkt heeft bij [bedrijf] en daarmee een inkomen had. Hij heeft dat niet bij het UWV gemeld, terwijl hij verschillende keren op die verplichting gewezen is. Bovendien had het eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de inkomsten van invloed konden zijn op zijn WAO-uitkering. Er is dan ook sprake van schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft niet eigener beweging melding gemaakt van zijn inkomsten. Het UWV is daarvan op de hoogte geraakt door een anonieme melding. Het UWV had niet op een andere manier daarvan op de hoogte kunnen komen omdat hij geen zicht heeft op arbeid in het buitenland. Verder vindt het UWV van belang dat er alleen over 2019 en 2020 wordt teruggevorderd en niet over de 12 jaar daarvoor.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
7.1
De vragen die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden eisers WAO-uitkering over 2019 en 2020 heeft herzien en teruggevorderd en aan eiser een boete heeft opgelegd.
Herziening en terugvordering
7.2
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaat het bij herziening en terugvordering van een WAO-uitkering om een voor betrokkene belastend besluit. Dit brengt met zich dat op het UWV de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening en terugvordering van de uitkering over te gaan. Als het UWV aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken [1] .
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV, onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek van IBF en de verklaring van [bedrijf] , voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in 2019 en 2020 werkzaamheden bij [bedrijf] heeft verricht en daar inkomsten heeft gehad. Deze resultaten bevestigen de anonieme melding die is gedaan dat eiser werkzaamheden in België verrichtte. Eiser heeft geen andersluidend bewijs overgelegd. Zijn stelling dat er sprake is van identiteitsfraude heeft eiser niet onderbouwd. Als daarvan sprake zou zijn geweest had het voor de hand gelegen als eiser daarvan aangifte zou hebben gedaan. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiser in 2019 en 2020 bij [bedrijf] heeft gewerkt en inkomsten heeft gehad. Eiser had dit moeten melden bij het UWV en heeft door dit na te laten de inlichtingenplicht geschonden. Het UWV was dan ook gehouden de WAO-uitkering van eiser te herzien en terug te vorderen. Dit zou anders kunnen zijn als sprake is van dringende redenen.
7.4
Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de CRvB moet dringende redenen als een open norm worden gezien waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. [2]
7.5
Op grond van wat eiser naar voren heeft gebracht, heeft het UWV bij afweging van de betrokken belangen naar het oordeel van de rechtbank geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst is hierbij van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het UWV, maar door schending van de inlichtingenplicht door eiser. Dat eiser kampt met psychische klachten vormt op zichzelf geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat zijn psychische klachten zijn toegenomen als gevolg van de terugvordering, heeft eiser niet onderbouwd. Verder is niet gebleken dat aan de terugvordering zodanig financiële gevolgen zijn verbonden dat om die reden van terugvordering afgezien zou moeten worden. Eiser heeft bovendien bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De invordering van de terugvordering staat (voorlopig) ook stil vanwege de beslagvrije voet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV daarom niet vanwege dringende redenen af moeten zien van terugvordering. De gevolgen daarvan zijn niet onevenredig.
Boete
7.6
Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het UWV moet aantonen dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn werkzaamheden. [3]
7.7
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met de resultaten van het onderzoek van IBF en de verklaring van [bedrijf] aangetoond dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden en inkomsten bij [bedrijf] . Eiser kan van het niet nakomen van de inlichtingenplicht een verwijt worden gemaakt. Het UWV was daarom verplicht aan eiser een boete op te leggen. Van een dringende reden om daarvan af te zien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Het UWV heeft bij het vaststellen van de boete rekening gehouden met eisers draagkracht en een boete van € 40,- opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze boete evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over eiser gebleken omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

8.1
De rechtbank komt tot de slotsom dat de besluiten, waarbij eisers WAO-uitkering is herzien en teruggevorderd en aan hem een boete is opgelegd, standhouden. Het beroep is daarom ongegrond.
8.2
Eiser heeft als gevolg daarvan geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel 29a
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 80, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 80, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 36a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die in:
a. ter uitvoering van een beschikking als bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
Artikel 57
1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 80
1. Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt Pro, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de Pro arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. (..)

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:353)
2.bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1832)
3.bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:1615)