Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2579

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/940
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 102, derde lid, Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing te nemen op WIA-herbeoordeling

Eiseres heeft op 20 mei 2025 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-uitkering ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 21 mei 2025 ontving. Volgens de wettelijke beslistermijn had het UWV uiterlijk op 16 juli 2025 moeten beslissen. Nadat het UWV niet binnen deze termijn had beslist, stelde eiseres het UWV op 17 oktober 2025 in gebreke, waarna het UWV de ingebrekestelling op 21 oktober 2025 ontving. Na het verstrijken van twee weken zonder besluit, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat het door een tekort aan verzekeringsartsen niet kon aangeven wanneer het besluit zou volgen en verzocht om een beslistermijn van 40 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken, maar wijst het verzoek om een langere termijn af.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 april 2026.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F. Bovenberg),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 20 mei 2025, ontvangen door het UWV op 21 mei 2025, om herbeoordeling van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) van [ex-werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 20 mei 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 21 mei 2025 ontvangen. Het UWV moet binnen acht weken, na ontvangst van de aanvraag, beslissen op de aanvraag. [2] Het UWV had dus uiterlijk op 16 juli 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 17 oktober 2025 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 21 oktober 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 10 maart 2026 heeft het UWV uitgelegd dat er nog geen besluit is genomen, omdat het UWV te kampen heeft met een groot tekort aan verzekeringsartsen. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer een beslissing op de aanvraag zal worden genomen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 40 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [3]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 102, derde lid, van de Wet wia