Eiser stelde beroep in tegen het UWV omdat het niet tijdig had beslist op zijn bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbeslissing van 22 juli 2024. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en de ingebrekestelling van 15 mei 2025 tijdig is ontvangen.
Het UWV gaf aan dat het door een tekort aan verzekeringsartsen niet kon aangeven wanneer het bezwaar zou worden behandeld en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige heroverweging mogelijk te maken, maar wijst een langere termijn af.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Tevens moet het UWV het griffierecht en proceskosten van €467 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 2 april 2026.