Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 10 oktober 2023 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 10 oktober 2024 is verstreken en dat verweerder sindsdien in gebreke is gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van artikel 8:55d Awb een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. Het verzoek van verweerder om een langere beslistermijn van 60 weken wordt afgewezen omdat deze termijn reeds is verstreken.
Daarnaast is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking niet-ontvankelijk omdat deze beschikking reeds op 11 december 2024 is genomen. De rechtbank bepaalt dat verweerder het griffierecht van €53 aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier M.R. Jouvenaar op 6 januari 2026.