ECLI:NL:RBZWB:2026:29

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3088
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op aanvraag aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 10 oktober 2023 voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De rechtbank oordeelt dat het beroep deels kennelijk gegrond is, omdat de beslistermijn is overschreden. Eiser heeft verweerder op 10 oktober 2024 in gebreke gesteld, waarna de rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is genomen voordat eiser het beroep heeft ingesteld. De rechtbank bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 10 oktober 2023 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
1.1.
Omdat het beroep deels kennelijk gegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 10 oktober 2023. Niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. [2] Eiser heeft verweerder op 10 oktober 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 19 juli 2025 verzoekt verweerder primair om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 [3] de beslistermijn te bepalen op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om compensatie voor de werkelijke schade is verstreken. Subsidiair verzoekt verweerder om in navolging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2025 [4]
4.3.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft een meervoudige kamer van deze rechtbank op 8 oktober 2025 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. [5] De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.
4.4.
Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders, na indiening van hun aanvraag, (1) bedenktijd krijgen om te bepalen of zij kiezen voor een alternatief traject dat kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst en (2) hebben verzocht of zijn opgenomen in een dergelijk alternatief traject en daarmee niet meer in de wachtrij staan voor afhandeling van hun schade bij de commissie werkelijke schade.
4.5.
De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Het zich beraden over of beproeven van een minnelijke regeling hangende de behandeling van een aanvraag brengt niet mee dat ouders niet meer in afwachting zijn van een besluit op die aanvraag. Dat kan anders zijn indien partijen dit anders regelen of afspreken. Indien daarvan sprake is, ligt het op de weg van beide partijen om in het beroepschrift of verweerschrift van een concrete zaak daarvan melding te maken en duidelijk te vermelden over welke periode de beslistermijn niet loopt. De rechtbank zal in een dergelijke zaak dan beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn op grond waarvan de beslistermijn een bepaalde periode niet heeft gelopen of loopt.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 10 oktober 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Is het beroep voor zover het ziet op het niet op tijd vaststellen van de bestuurlijke dwangsom ontvankelijk?
6. Eiser heeft bij brief van 4 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een dwangsombeschikking voor het niet op tijd beslissen op zijn verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de CWS. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank dit niet aangemerkt als afzonderlijk beroep, omdat dit meeloopt in deze hoofdprocedure tegen het niet op tijd beslissen op de aanvraag van eiser. [6] In de brief van 4 november 2025 vraagt eiser aan de rechtbank om verweerder alsnog een termijn te geven voor het afgeven van de dwangsombeschikking.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestuurlijke dwangsom terecht heeft vastgesteld op het maximale bedrag van € 1.442,- in zijn dwangsombeschikking van 11 december 2024. Het beroep voor zover het is gericht tegen het niet op tijd nemen van een dwangsombeschikking is dan ook niet-ontvankelijk, omdat dit besluit is genomen voordat eiser het beroep heeft ingesteld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is voor zover het ziet op het niet op tijd beslissen op de aanvraag aanvullende schadevergoeding bij de CWS kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover het ziet op het niet op tijd beslissen op de aanvraag om aanvullende schadevergoeding bij de CWS gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • verklaart het beroep voor zover het ziet op het niet op tijd nemen van de dwangsombeschikking niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Artikel 6:2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
6.Uitspraak van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, rechtsoverwegi hng 2.4.2.