Uitspraak
1.De procedure
- de op 2 maart 2026 ter griffie ontvangen producties van [werkgever] ;
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter mondelinge behandeling overgelegde en voorgelezen pleitnota van [werknemer] ;
- de ter mondelinge behandeling overgelegde en voorgelezen pleitnota van [werkgever] .
“(…) Meneer is momenteel niet werkzaam en werkhervatting in eigen werk is nog niet aan de orde, in ieder geval tot de volgende afspraak. Tijdens die afspraak zal opnieuw worden geëvalueerd wat de mogelijkheden zijn. Eerst moet er verder herstel van functioneren plaatsvinden om duurzaam herstel te waarborgen.
“(…) Meneer is momenteel niet werkzaam en werkhervatting in eigen werk is nog niet aan de orde, in ieder geval tot de volgende afspraak. Tijdens die afspraak zal opnieuw worden geëvalueerd wat de mogelijkheden zijn. Eerst moet er verder herstel van functioneren plaatsvinden om een duurzaam herstel te waarborgen.
“(…) De heer [werknemer] is door een geobjectiveerde ziekte niet in staat om zijn eigen of ander werk te doen. Hij wordt dankzij de huisarts adequaat behandeld. Er zal voorlopig nog tijd nodig zijn om te herstellen. De focus zal nu gericht moeten zijn op behandeling en herstel. Er zijn beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Hij is daarnaast op een geschikt moment en nu nog niet gebaat bij een onafhankelijke mediation uitgevoerd door Arboned. De heer [werknemer] zal zelf aangeven wanneer de mediation kan plaatsvinden. (…)”. Dit advies is aangepast, nadat [werknemer] daarover navraag had gedaan. In het eerdere advies van dezelfde datum is nog vermeld dat [werknemer] gebaat is bij onafhankelijke mediation.
“(…) Tijdens het consult met de second opinion bedrijfsarts op 6 oktober 2025 is mij mondeling geadviseerd om, gelet op mijn huidige psychische en fysieke toestand, tijdelijk geen directe gesprekken of telefonisch contact met de werkgever te voeren, omdat dit mijn herstel kan belemmeren. Dit advies sluit aan bij de schriftelijke conclusie dat ik door ziekte volledig arbeidsongeschikt ben en tijd nodig heb voor herstel. Daarnaast heb ik herhaaldelijk aangegeven geen gesprekken te willen voeren met mevrouw [HR-adviseur] . Gezien haar rol als extern adviseur van de werkgever en mijn medische beperkingen acht ik haar betrokkenheid niet passend en niet bevorderlijk voor mijn herstel. Ik verzoek u dit te respecteren en af te zien van verdere uitnodigingen waarbij zij aanwezig is. Indien uw intentie werkelijk is om mijn herstel te ondersteunen, verzoek ik u dan om eindelijk uitvoering te geven aan het eerdere door de bedrijfsarts voorgestelde traject van psychologische ondersteuning via ArboNed. Dit voorstel is destijds door de werkgever afgewezen, terwijl juist dát een passende en professionele vorm van begeleiding zou zijn geweest. Het zou constructiever zijn om dit alsnog op te pakken in plaats van nieuwe gesprekken te initiëren die medisch onverantwoord zijn. (…) Voor de duidelijkheid: Ik blijf bereid tot een nieuwe neutrale mediation onder begeleiding van ArboNed, zoals ook eerder door de (bedrijfs)arts is geadviseerd. (…)”.
“(…) Gelet op de toegenomen beperkingen acht ik meneer [werknemer] tijdelijk niet belastbaar met werkzaamheden.
3.Het geschil
- om binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis een voorschot te betalen aan [werknemer] , gelijk aan zijn achterstallige loon over de periode 21 oktober 2025 tot 23 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
- om binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis te voldoen aan alle verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt;
- tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.
4.De beoordeling
5.De beslissing
- een voorschot te betalen op het loon van € 2.716,30 bruto per maand over de periode 21 oktober 2025 tot 23 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot de dag van de algehele betaling;
- de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 946,76,