Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/7054
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5:46 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over matiging bestuurlijke boetes Meststoffenwet wegens beperkte financiële draagkracht

Eiseres, een onderneming in groothandel van bestrijdingsmiddelen en meststoffen, kreeg van de minister bestuurlijke boetes opgelegd wegens het niet naleven van de verantwoordingsplicht en mestverwerkingsplicht in 2019 en 2020. De NVWA constateerde in een rapport dat eiseres aanzienlijke hoeveelheden fosfaat niet kon verantwoorden en niet voldoende mestverwerkingsovereenkomsten had nageleefd.

De minister legde boetes op van ruim € 290.000 en € 272.000, die na bezwaar werden gematigd tot circa € 7.100, € 137.000 en € 135.000, waarbij een extra matiging van 50% werd toegepast vanwege beperkte financiële draagkracht. Eiseres betwistte de hoogte van de boetes en vroeg verdere matiging, verwijzend naar het dreigende faillissement en de impact op personeel.

De rechtbank bevestigde de bevoegdheid van de minister tot het opleggen van de boetes en dat het rapport van de NVWA als bewijs kon dienen. Wel oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de matiging van 50% niet verder kon worden uitgebreid, vooral gezien het dreigende faillissement. De rechtbank gaf de minister acht weken de tijd om het gebrek in de motivering te herstellen en stelde eiseres in de gelegenheid actuele financiële stukken te overleggen.

De procedure blijft beperkt tot de besproken beroepsgronden en verdere beslissingen, waaronder over proceskosten, worden aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft de minister gelegenheid de motivering van de matiging van de boetes wegens beperkte financiële draagkracht te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7054 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. H.J. Kram).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over bestuurlijke boetes die de minister aan eiseres heeft opgelegd, omdat zij volgens de minister de Meststoffenwet (Msw) heeft overtreden.

Procesverloop

2. Eiseres drijft een onderneming die zich richt op groothandel in bestrijdings-middelen en meststoffen.
2.1.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft onderzoek verricht naar de mestboekhouding bij eiseres over de jaren 2019 en 2020. De NVWA heeft geconstateerd dat eiseres voor 2019 en 2020 niet heeft voldaan aan de verantwoordings-plicht en de mestverwerkingsplicht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 20 juli 2022 met rapportnummer [nummer 1] (het rapport van bevindingen). Dit rapport van bevindingen is ter beoordeling gezonden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
2.2.
Naar aanleiding van het NVWA-rapport heeft de minister in de brieven van 25 juli 2023 aan eiseres laten weten dat hij het voornemen heeft om aan haar boetes op te leggen. Eiseres heeft hierop gereageerd met een zienswijze.
2.3.
Met het besluit van 25 januari 2024 (primair besluit I) is aan eiseres een boete opgelegd van in totaal € 290.632,40. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft voldaan aan de mestverwerkingsplicht voor 2019 en de verantwoordingsplicht voor 2019/2020.
2.4.
Met een ander besluit van 25 januari 2024 (primair besluit II) is aan eiseres een boete opgelegd van € 272.918,00. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft voldaan aan de mestverwerkingsplicht voor 2020.
2.5.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II.
2.6.
Met de beslissing op bezwaar van 6 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en de boetebedragen verlaagd tot de volgende bedragen:
- verantwoordingsplicht 2019/2020: € 7.108,00
- mestverwerkingsplicht 2019: € 136.958,00
- mestverwerkingsplicht 2020: € 135.209,00.
De minister heeft de oorspronkelijke berekeningen, inclusief matigingen, gehandhaafd en heeft een extra matiging van 50% toegepast vanwege het gebrek aan financiële draagkracht van eiseres.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [vertegenwoordiger] en de gemachtigde en namens de minister [persoon] (rapporteur bij de NVWA) en de gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Omdat de boetes zijn aan te merken als sancties met een punitief karakter, dient de rechtbank het bestreden besluit volledig te toetsen.
Is de minister bevoegd tot het opleggen van de bestuurlijke boetes?
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie zoals deze boete bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. In de Msw is in artikel 51 opgenomen Pro dat de minister een bestuurlijke boete kan opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 14, eerste lid, van de Msw (de verantwoordingsplicht) en 33a, vierde lid, van de Msw (de mestverwerkingsplicht).
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), rust op de minister als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de genoemde bepalingen uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor dit bewijs steunt de minister in dit geval op de bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 20 juli 2022 met rapportnummer [nummer 1] .
4.2.
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht, het toezichtrapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. [1]
De verantwoordingsplicht
5. Artikel 14, eerste lid, van de Msw bepaalt dat degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt steeds kan verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd. De verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd, aldus het tweede lid.
5.1.
Uit vaste rechtspraak [2] van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) volgt dat in dit artikel een mede tot intermediairs gericht gebod is opgenomen, op grond waarvan intermediairs te allen tijde moeten kunnen verantwoorden dat en naar wie de door hen aangevoerde dierlijke meststoffen, die niet in opslag zijn genomen, zijn afgevoerd. [3] Dat neemt niet weg dat de minister, indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de onderneming de overtreding – het niet naleven van de verantwoordingsplicht – heeft begaan.
5.2.
Uit de relevante regelgeving [4] volgt dat de onderneming aan de hand van haar administratie op elk moment inzichtelijk moet kunnen maken dat en naar wie aangevoerde meststoffen zijn afgevoerd, als deze niet in opslag zijn genomen. Als uit vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) blijkt dat meststoffen zijn aangevoerd, maar deze zich niet meer in de opslag bevinden, moet dat verklaard kunnen worden.
5.3.
Blijkens het rapport van bevindingen heeft eiseres in 2019/2020 1.436 kilogram (kg) fosfaat niet kunnen verantwoorden. De voorraad kg fosfaat uit vloeibare dierlijke mest met opslagnummer [nummer 2] was op 25 april 2019 namelijk 0 kg. Er is nadien tot 12 februari 2020 2.800 kg fosfaat aangevoerd en 1.364 kg fosfaat afgevoerd. Daarom is 1.436 kg fosfaat niet verantwoord.
5.4.
Eiseres heeft de geconstateerde feiten, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van de minister om een boete op te leggen vanwege overtreding van de verantwoordingsplicht in 2019/2020, niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich mocht baseren op het rapport van bevindingen van 20 juli 2022.
De mestverwerkingsplicht
6. In artikel 33a, vierde lid, van de Msw staat dat een ondernemer in een kalenderjaar de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, waarvoor hij met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar mestverwerkingsovereenkomsten heeft gesloten, overdraagt of deze over laat dragen aan een verwerkende onderneming.
6.1.
Uit vaste rechtspraak [5] van het CBb volgt dat uit de artikelen 7 en 8 van de Msw en uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen)” [6] blijkt dat het systeem van normstelling, waarin de wetgever bij de invoering van de gebruiksnormen heeft voorzien, uitgaat van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen heeft gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan. Om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod te kunnen doen, ligt het op de weg van degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen om feiten te stellen en materiaal aan te dragen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of aannemelijk is dat de gebruiksnormen niet door hem zijn overschreden. De weg waarlangs dit geschiedt ligt in zoverre vast dat de wet niet alleen regelt aan de hand van welke elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar bovendien de agrariër de verplichting oplegt om, mede ten behoeve daarvan, bepaalde gegevens over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren en over te leggen.
Een en ander neemt niet weg dat de agrariër aan de hand van alternatieve gegevens en bepalingswijzen die voldoende zijn onderbouwd en betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen, aannemelijk kan maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden.
Dat degene die in weerwil van het algehele verbod van artikel 7 van Pro de Msw meststoffen op of in landbouwgrond brengt, dient te verantwoorden dat hij de voor het desbetreffende jaar geldende gebruiksnorm(en) niet overschrijdt, laat onverlet dat de minister, indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden dient aan te tonen dat de overtreding is begaan. Het voorgaande geldt ook voor het in de artikelen 33a tot en met 33d van de Msw neergelegde stelsel van de mestverwerking. [7]
6.2.
Uit het rapport van bevindingen van de NVWA volgt dat eiseres in 2019 als bewerker voor in totaal 25.356 kg fosfaat mestverwerkingsovereenkomsten [8] (heeft afgesloten. Zij heeft echter in 2019 geen kilogrammen fosfaat laten verwerken door een verwerker. Dat is dus 25.356 kg fosfaat te weinig.
Voor 2020 heeft eiseres als bewerker voor in totaal 57.731 kg fosfaat mestverwerkingsovereenkomsten afgesloten. Zij heeft echter in 2020 slechts 7.655 kg fosfaat laten verwerken door een verwerker. Dat is dus 50.076 kg fosfaat te weinig.
Eiseres heeft een deel van wat zij diende te laten verwerken (voor 2019: 12.098 kilogram fosfaat en voor 2020: 46.240 kilogram fosfaat) geleverd aan [B.V.] ( [B.V.] ). Volgens de minister is [B.V.] een co-vergistingsbedrijf en dus een bewerker van dierlijke meststoffen en geen erkende verwerker. Ook exporteert [B.V.] geen dierlijke meststoffen. Dit bedrijf is inmiddels failliet verklaard.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet (meer) betwist dat [B.V.] feitelijk geen erkende mestverwerker was. Eiseres voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat [B.V.] dat wél was, omdat zij navraag heeft gedaan bij [B.V.] zelf en bij deskundigen, en omdat het bedrijf zich ook als zodanig presenteerde. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond ziet op de mate van verwijtbaarheid van eiseres, en dus op de hoogte van de boete, en niet op de bevoegdheid van de minister om boetes op te leggen vanwege het niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht in 2019 en 2020. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat de bevoegdheid van de minister op zichzelf niet wordt betwist. Ook worden de hoeveelheden fosfaat door eiseres niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich mocht baseren op het rapport van bevindingen van 20 juli 2022.
Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid
7. De conclusie is dat de minister bevoegd was tot het opleggen van bestuurlijke boetes vanwege het overtreden van de verantwoordingsplicht in 2019/2020 en het overtreden van de mestverwerkingsplicht in 2019 en 2020. Het beroep beperkt zich daarom tot de vraag in hoeverre de minister van deze bevoegdheid gebruik mocht maken.
De hoogte van de boetes
8. De minister heeft de boetes in het bestreden besluit uiteindelijk als volgt vastgesteld:
Verantwoordingsplicht 2019/2020
1.436 kg x € 11,00 = € 15.796,00
€ 15.796,00 x 50% = € 7.898,00
€ 7.898,00 - € 790,00 (10%) =
€ 7.108,00.
Mestverwerkingsplicht 2019
25.356 kg x € 11,00 = € 278.916,00
€ 278.916,00 x 50% = € 139.458,00
€ 139.458,00 - € 2.500 =
€ 136.958,00.
Mestverwerkingsplicht 2020
50.076 kg x € 11,00 = € 550.836,00
€ 550.836,00 x 50% = € 275.418,00
€ 275.418,00 x 50% = € 137.709,00
€ 137.709,00 - € 2.500 =
€ 135.209,00.
8.1.
De minister heeft in het bestreden besluit dus de oorspronkelijke boeteberekeningen, inclusief matigingen, gehandhaafd en heeft een extra matiging van 50% toegepast vanwege het gebrek aan financiële draagkracht van eiseres. Daartoe heeft de minister overwogen dat hij op basis van de door eiseres overgelegde financiële stukken tot de conclusie is gekomen dat de financiële draagkracht van eiseres beperkt is dan wel ontbreekt. Conform onderdeel ‘5.2.2.6 Financiële draagkracht’ van het Boetebeleid Meststoffenwet RVO kan de minister de boetes dan matigen met 50%, zo staat in het bestreden besluit.
8.2.
Eiseres voert onder meer aan dat niet valt in te zien waarom de minister de boetebedragen niet verder heeft gematigd dan met 50% vanwege het gebrek aan financiële draagkracht. Het boetebeleid is volgens eiseres niet in beton gegoten. De minister heeft erkend dat het bedrijf van eiseres geen dan wel nauwelijks financiële draagkracht heeft.
Ook bij de gematigde boete dreigt het faillissement van de onderneming. Eiseres wijst erop dat zij een reguliere onderneming voert, en niet eerder voor dit soort zaken in aanraking is geweest met RVO. Het betreft een relatief jonge onderneming, waarbij bovendien personeelsleden met gezinnen betrokken zijn. Een faillissement zal verstrekkende gevolgen hebben voor hen. Bovendien is geen sprake van moedwillig overtreden van de wetgeving, zo stelt eiseres.
8.3.
Op de zitting heeft de rechtbank gevraagd waarom de door de minister erkende aanwezigheid van beperkte draagkracht, of het ontbreken daarvan, hier niet leidt tot verdergaande matiging dan met 50%. Daarop heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat op basis van het beleid wordt gematigd tot maximaal 50%. Als er dan nog steeds te weinig draagkracht is, kan bij de invordering opnieuw naar de financiële situatie worden gekeken en kan er eventueel besloten worden om de opgelegde boetes niet in te vorderen. Een betalingsregeling behoort ook tot de mogelijkheden. Het idee achter de 50%-grens vloeit voort uit de rechtspraak dat een boete bestaat uit een bestraffend deel en een deel voor economisch verkregen voordeel. Het bestraffende deel van de boete moet in stand blijven. In de beroepsprocedure had de minister opnieuw naar de financiële situatie van eiseres kunnen kijken, maar dan had eiseres nieuwe financiële stukken over haar situatie moeten inbrengen, zo luidt de toelichting namens de minister.
8.4.
Volgens vaste rechtspraak [9] van het CBb is een boete als hier aan de orde een punitieve sanctie, die valt onder het bereik van artikel 6 van Pro EVRM. Dat brengt mee dat de rechtbank dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Het opgelegde boetebedrag is vastgesteld in een wettelijk voorschrift. Zoals volgt uit vaste rechtspraak vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader voor de op artikel 6 van Pro het EVRM gebaseerde evenredigheidstoets. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de op grond van artikel 59 van Pro de Msw voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.
8.5.
Uit vaste rechtspraak [10] van het CBb volgt ook dat een geringe financiële draagkracht kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid – als bedoeld in het derde lid van artikel 5:46 van Pro de Awb – die aanleiding geeft om de boete te matigen. Daarbij gaat het om de financiële positie van de overtreder ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Het bestuursorgaan zal zich zeker bij hogere boetes ervan moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. [11]
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, gezien de hierboven aangehaalde rechtspraak en zijn eigen boetebeleid, onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of het gebrek aan financiële draagkracht van eiseres, of het volledig ontbreken daarvan, ten tijde van de boeteoplegging (25 januari 2024) had moeten leiden tot een verdergaande matiging dan 50%. De door de minister op de zitting genoemde argumenten zijn daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. In paragraaf 5.2.2.6 van zijn boetebeleid heeft de minister namelijk uiteengezet dat er rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van een bedrijf. Verder heeft hij aangegeven dat uit bestendige jurisprudentie volgt dat de financiële positie in het kader van het evenredigheidsbeginsel een relevante omstandigheid vormt. Zeker bij hogere boetes beoordeelt de minister ambtshalve of de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. Onder onevenredige gevolgen wordt verstaan dat de overtreder failliet gaat of dreigt te gaan. Wat een hoge boete is, zal daarbij mede van de feiten en omstandigheden afhangen. Een gebrek aan draagkracht kan betekenen dat de boete met (maximaal) 50% verminderd wordt. De minister heeft evenwel niet gemotiveerd hoe hij rekening heeft gehouden met het dreigende faillissement van eiseres in het geval dit onevenredige gevolg optreedt nadat de boetes met 50% zijn gematigd. Die ontbrekende motivering kan niet worden ondervangen door een nadere afweging bij de invordering van de opgelegde boetes.

Conclusie en gevolgen

9. Zoals hiervoor is overwogen onder 8.6 is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Daarnaast moet de gemachtigde van eiseres binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak actuele financiële stukken, waaruit haar huidige financiële draagkracht is af te leiden, indienen bij de rechtbank.
9.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
9.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om, indien hij daarvan gebruik maakt, binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- draagt de gemachtigde van eiseres op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak actuele financiële stukken bij de rechtbank in te dienen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. A.G.J.M. de Weert, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46, derde lid
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Meststoffenwet
Artikel 1, eerste lid, onderdeel dd en ee
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
dd. dierlijke meststoffen verwerken:
1°. behandelen van dierlijke meststoffen tot een eindproduct dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vast te stellen specificaties, of
2°. exporteren van dierlijke meststoffen;
ee. mestverwerkingsovereenkomst:
1°. bij de overdracht van dierlijke meststoffen van een landbouwer die op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert aan een verwerker behorend volledig ingevuld krachtens artikel 34, onderdeel b, vastgesteld bewijsmiddel, voor zover de daarop vermelde gegevens overeenkomstig de daartoe krachtens artikel 34, onderdeel b, geldende voorschriften tijdig bij Onze Minister zijn ingediend, of
2°. overeenkomst tussen een landbouwer die op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert, een andere ondernemer dan een verwerker, en een verwerker;
Artikel 14, eerste en tweede lid
1. Degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt kan steeds verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd.
2. De verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd.
Artikel 33a, vierde lid
Een ondernemer die een andere onderneming voert als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, draagt in een kalenderjaar de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, waarvoor hij met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar mestverwerkingsovereenkomsten als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, heeft gesloten, over of laat deze overdragen aan een verwerkende onderneming.
Artikel 51
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7, 9, tweede en derde lid, 11, tweede en derde lid, 13, vierde lid, 14, eerste lid, 15, 21, eerste lid, 33a, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 33b, vijfde lid, 33d, eerste lid 34, 35, 36, 37, 38, derde lid, of 40.
Artikel 58, eerste lid
Ingeval van overtreding van artikel 14, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat en € 7 per kilogram stikstof waarvan de afvoer niet kan worden verantwoord.
Artikel 59, tweede lid
In geval van overtreding van artikel 33a, vierde lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per kilogram fosfaat waarmee dat lid wordt overtreden.
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Artikel 39, eerste en tweede lid, aanhef en onder b
1. De intermediair houdt per onderneming een inzichtelijke administratie bij.
2. De administratie bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, alsmede gegevens over:
b. de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte voor meststoffen zijn aangevoerd en de hoeveelheden meststoffen die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid meststoffen zich in de opslagruimte bevindt.
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
Artikel 46, eerste lid
De gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier.
Boetebeleid Meststoffenwet RVO (versie 1 juni 2024)
5.2.2.6 Financiële draagkracht
RVO houdt rekening met de financiële draagkracht van een bedrijf. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat de financiële positie in het kader van het evenredigheidsbeginsel een relevante omstandigheid vormt. Zeker bij hogere boetes beoordeelt RVO ambtshalve of de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. Onder onevenredige gevolgen wordt verstaan dat de overtreder failliet gaat of dreigt te gaan. Dan wel dat door de betaling van de boete en onder normale bedrijfsomstandigheden, door vermindering van het bedrijfsresultaat, de betalingscapaciteit zo ver daalt dat het inkomen onder bijstandsniveau komt.
Wat een hoge boete is, zal daarbij mede van de feiten en omstandigheden afhangen. Een gebrek aan draagkracht kan betekenen dat de boete met (maximaal) 50% verminderd wordt. RVO onderzoekt ambtshalve of de financiële positie van de overtreder door de voorgenomen boete zorgelijk wordt. Het is aan het bedrijf om dit aan te tonen. Als een beroep op verminderde draagkracht wordt gedaan, moet de overtreder aan de hand van een vragenlijst met financiële gegevens over de afgelopen drie jaren (het ontbreken van) de financiële draagkracht aantonen.
Daarbij moet hij meerdere vragen beantwoorden over zijn financiële positie en als dit van
toepassing is die van zijn partner(s)/venno(o)t(en). Naast beantwoording van de vragen moeten bewijsstukken zoals jaarrekeningen, belastingaangiften (inkomstenbelasting /
vennootschapsbelasting) bankafschriften en OZB-aanslagen met WOZ-waarde worden aangeleverd. Wanneer er meerdere vennoten zijn, moeten ook zij hun financiële stukken overleggen.
Een bestuurlijke boete wordt in beginsel niet gematigd op basis van draagkracht als:
- een zelfde of soortgelijke overtreding eerder is begaan (recidive);
- er geen of weinig economisch voordeel is behaald;
- het bedrijf de gegevens niet volledig en/of niet naar waarheid doorgeeft;
- de bewijsstukken niet (volledig of toereikend) zijn opgestuurd;
- de waarde van het vermogen, het inkomen en de overwaarde op de woning, de overwaarde op de bedrijfspand(en) en de overwaarde op de grond hoger zijn dan de boete.

Voetnoten

1.College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) 18 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:364.
2.CBb 18 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:610.
3.Zie ook de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, Kamerstukken II 2004-2005, 29 930, nr. 3, blz. 41.
4.Artikel 39, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit Msw en artikel 46, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Msw.
5.CBb 3 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:862.
6.Kamerstukken II 2004/2005, 29 930, nr. 3, blz. 67-72 en 112-113.
7.Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering stelsel verantwoorde mestafzet), Kamerstukken II 2011/12, 33 322, nr. 3, blz. 40-41.
8.Het betreft Drie Partijen Overeenkomsten (DPO, een overeenkomst tussen een veehouder, een bewerker en een verwerker).
9.CBb 20 januari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:11.
10.CBb 20 november 2014, ECLI:NL:CBB:2014:455 en CBb 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:301.
11.Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 142-143.