ECLI:NL:RBZWB:2026:3262
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen hoogte dwangsom bij niet tijdig beslissen op aanvraag compensatie Wht afgewezen
De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 3 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op een aanvraag om aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Opposant betwist de hoogte van de opgelegde dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 en stelt dat bij een tweede beroep een hogere dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 gebruikelijk is. De rechtbank overweegt dat voor Wht-zaken een specifieke lijn geldt, zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bevestigd in eerdere uitspraken van deze rechtbank.
Deze lijn houdt in dat een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn geldt, gekoppeld aan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, ook bij herhaalde beroepen. Pas als deze termijn is verstreken op het moment van verzending van de uitspraak, wordt de hogere dwangsom toegepast.
In dit geval was de termijn van 60 weken nog niet verstreken bij verzending van de uitspraak van 3 maart 2026, zodat de lagere dwangsom terecht is opgelegd. Het verzet wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de hoogte van de dwangsom wordt kennelijk ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.