Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder, de Dienst Toeslagen, op haar aanvraag voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin verweerder binnen negen weken moest beslissen, maar dit niet heeft gedaan.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft besloten. Op grond van de Awb wordt verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, tenzij een andere termijn wordt vastgesteld. Verweerder verzocht om een langere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, maar de rechtbank volgt de lijn van een eerdere meervoudige kamer die een maximale termijn van 60 weken hanteert.
De rechtbank wijst het verzoek van verweerder af om de beslistermijn op te schorten tijdens eventuele minnelijke trajecten. De wettelijke beslistermijn is verstreken op 23 december 2024, waardoor verweerder uiterlijk 16 februari 2026 moet besluiten. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder ook het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande en griffier L.J. Sijtsma op 23 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.