ECLI:NL:RBZWB:2026:3645

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
12029088 \ AZ VERZ 25-77 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van der Lende-Mulder Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 leer-arbeidsovereenkomstArt. 7:669 lid 3 BWWet educatie beroepsonderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leer-arbeidsovereenkomst wegens niet tot stand komen beroepspraktijkvormingsovereenkomst

Werknemer trad per 1 augustus 2025 in dienst als leerling-tandartsassistent met een leer-arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een beroepspraktijkvormingsovereenkomst. Deze laatste is echter niet gesloten omdat werknemer niet de benodigde gegevens aanleverde en praktisch geen uitvoering gaf aan de opleiding.

Werkgever heeft daarom op grond van de ontbindende voorwaarde in artikel 1.3 van de leer-arbeidsovereenkomst de arbeidsovereenkomst beëindigd. De bewindvoerder van werknemer betwistte dit en verzocht vernietiging van de opzegging en betaling van loon.

De kantonrechter oordeelt dat de ontbindende voorwaarde rechtsgeldig is ingetreden en dat werkgever terecht een beroep daarop deed. Werknemer heeft onvoldoende actie ondernomen om de opleiding te starten en de benodigde gegevens te verstrekken, waardoor de beroepspraktijkvormingsovereenkomst niet tot stand kwam.

Het voorwaardelijk tegenverzoek van werkgever tot ontbinding op andere gronden wordt niet inhoudelijk behandeld omdat de ontbindende voorwaarde reeds rechtsgeldig is toegepast. De proceskosten worden verdeeld tussen partijen conform hun succes in de procedure.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van de opzegging af en bevestigt de ontbinding van de leer-arbeidsovereenkomst wegens het niet tot stand komen van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12029088 \ AZ VERZ 25-77
Beschikking van 8 april 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] B.V. IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [werknemer],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. M. IJzelenberg,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. I.P. Biemond.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) tegenverzoek
- de producties 4 en 5 ingediend door [werkgever] .
1.2.
Op 11 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigde van [werkgever] heeft daarbij een pleitnota overgelegd. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Mevrouw [werknemer] (hierna te noemen: [werknemer] ), geboren [datum] 2003, is per 1 augustus 2025 in dienst getreden van [werkgever] in de functie van leerling-tandartsassistent. Daartoe is een leer-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (BBL) overeengekomen, waarbij [werknemer] op de maandag naar school ( [school] ) gaat en dinsdag tot en met vrijdag bij [werkgever] werkt tegen een loon van € 2.252,48 bruto per maand exclusief emolumenten.
2.2.
In de leer-arbeidsovereenkomst is onder andere het volgende opgenomen:

1.1 Leerling-werknemer treedt met ingang van 1 augustus 2025 bij Werkgever in dienst. De leer-arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van de tegelijkertijd afgesloten beroepspraktijkvormingsovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg, zoals bedoeld in de Wet educatie beroepsonderwijs.
(…)
1.3
De leer-arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, d.w.z., zonder dat opzegging is vereist, per de datum waarop de beroepspraktijkvormingsovereenkomst eindigt dan wel de datum waarop Leerling-werknemer de opleiding met een diploma heeft afgerond. Deze arbeidsovereenkomst eindigt voorts van rechtswege indien de opleiding door Leerling-werknemer of de onderwijsinstelling wordt beëindigd zonder dat Leerling-werknemer het diploma heeft behaald of indien Leerling-werknemer de opleiding niet met een diploma heeft afgerond zodra 36 maanden zijn verstreken na aanvang van deze arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst eindigt in ieder geval van rechtswege zonder dat opzegging is vereist op 31-07-2026.
2.3.
Bij brief van 29 oktober 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] (onder meer) geschreven: “
Langs deze weg beëindig ik namens [werkgever] de Leer-Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (BBL), hierna: 'de OVK' die wij sloten op 16 juli 2025. De redenen zet ik in deze brief uiteen. De formele grondslag is dat in artikel 1.3 van de OVK staat dat deze duurt zolang er een beroepspraktijkvormingsovereenkomst is. Ik stel vast dat deze nimmer is gesloten en dat dat komt doordat jij de daartoe benodigde gegevens niet hebt aangeleverd aan school. Daarbij komt dat jij feitelijk de opleiding hebt beëindigd, althans dat je die helemaal nooit bent begonnen. De OVK is expliciet afhankelijk gemaakt van de opleiding omdat wij uitsluitend geschoolde mensen in kunnen en mogen zetten op jouw functie.”.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
De bewindvoerder verzoekt, na wijziging van het verzoek op de mondelinge behandeling, de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 1 november 2025 en de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon. Daarnaast verzoekt de bewindvoerder [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De bewindvoerder voert aan dat de opzegging op 29 oktober 2025 niet rechtsgeldig is geweest. [werknemer] heeft alle benodigde gegevens bij school ingeleverd. Voor zover er nog gegevens zouden ontbreken is [werknemer] nimmer door [werkgever] of door haar opleider daarop gewezen. [werknemer] is met de opleiding gestart en de bewindvoerder betwist dat [werknemer] slechts 2 uur naar school zou zijn geweest dan wel de opleiding niet zou hebben gestart. [werknemer] kon slechts de algemene vakken op school volgen en geen andere vakken, omdat daarvoor de factuur nog niet door [werkgever] was betaald. Na 20 oktober 2025 was [werknemer] vanwege een gebroken arm niet meer in staat lessen te volgen.
Artikel 1.3 van de leer-arbeidsovereenkomst bevat geen opzeggingsgrond. De beroepspraktijkvormingsovereenkomst is ook niet ondertekend, waardoor de betreffende voorwaarde niet in werking is getreden. De gestelde ontbindende voorwaarde is daarnaast niet geldig, althans de voorwaarde speelt geen rol ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] .
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] voert aan dat in BBL-trajecten het dienstverband onlosmakelijk aan een opleidingsovereenkomst is verbonden. [werknemer] heeft zich vanaf de dag dat zij bij [werkgever] is komen werken onbetrouwbaar, onzelfstandig en vooral niet stuurbaar getoond. Anders dan [werknemer] aanvoert, is zij voortdurend op haar gedrag aangesproken. Daarvoor heeft zij ook (formele) waarschuwingen gekregen. Na meer dan 7 weken bleek daarnaast dat [werknemer] nog geen dag op school was geweest. Uitsluitend in week 40 van 2025 is zij één uur op school geweest. Nadat [werknemer] daarop is aangesproken beschuldigde zij vervolgens [werkgever] ervan de factuur voor school niet te hebben voldaan en dat zij om die reden niet naar school kon. Dat is onjuist. Ook met een onbetaalde factuur, waarbij de vervaldatum nog niet is verstreken, kan een leerling gewoon onderwijs volgen. Doordat [werknemer] niet naar school ging en niet de gevraagde informatie aan school leverde, is de praktijkovereenkomst niet tot stand gekomen. [werkgever] heeft om die reden een einde gemaakt aan het leer-werktraject en dus de arbeidsovereenkomst. Door het handelen van [werknemer] heeft zij [werkgever] ook een dringende reden gegeven de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Voorwaardelijk tegenverzoek
3.4.
[werkgever] verzoekt, na wijziging van haar verzoek, voorwaardelijk, indien de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is beëindigd, de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de d-, e-, g-, h- en i-grond van artikel 7:669 lid 3 BW Pro. [werkgever] verzoekt daarnaast de bewindvoerder te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[werkgever] voert aan dat [werknemer] geen opleiding is gaan volgen, waardoor zij niet de vereiste geschiktheid heeft om als volwaardig tandartsassistent te fungeren. Daarnaast zijn er meerdere conflicten tussen [werknemer] en collega’s ontstaan, waarbij is gebleken dat [werknemer] geen verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen en niet openstaat voor verbetering. [werkgever] is daardoor ook het vertrouwen in [werknemer] verloren.
3.6.
De bewindvoerder voert verweer, dat hierna – voor zover van belang – in de beoordeling aan de orde komt.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak eerst om de vraag of de leer-arbeidsovereenkomst rechtsgeldig per 1 november 2025 tot een einde is gekomen.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, zodat het verzoek van de bewindvoerder om die reden niet toewijsbaar is.
4.3.
De kantonrechter stelt daarbij voorop dat artikel 1.3 van de leer-arbeidsovereenkomst een ontbindende voorwaarde inhoudt. In haar brief van 29 oktober 2025 heeft [werkgever] op die voorwaarde een beroep gedaan.
4.4.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde wordt vooropgesteld dat de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, meebrengt dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Een voorwaarde die redelijkerwijs niet met dat wettelijk stelsel is te verenigen, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. Van geval tot geval moet worden bezien of een voorwaarde als hiervoor is bedoeld is te verenigen met dat wettelijk stelsel. Daarbij komt het mede aan op de aard, inhoud en context van die voorwaarde. Een voorwaarde die redelijkerwijs niet met dat stelsel is te verenigen, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. Een ontbindende voorwaarde dient daarnaast voldoende objectief en duidelijk bepaalbaar te zijn en is niet rechtsgeldig als de werkgever invloed heeft gehad op het intreden van de voorwaarde (Hoge Raad 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0348).
4.5.
In een leer-arbeidsovereenkomst is de ontbindende voorwaarde dat de beroepspraktijkvormingsovereenkomst wordt gesloten en door de werknemer wordt nagekomen in het algemeen aanvaardbaar. In dit geval is de ontbindende voorwaarde ook ingetreden en oordeelt de kantonrechter dat [werkgever] daarop ook een beroep mocht doen.
4.6.
In het verzoekschrift heeft de bewindvoerder gesteld dat [werknemer] in september 2025 met de opleiding is gestart. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij pas in de vierde week van september 2025 met de opleiding is begonnen, omdat de leer-arbeidsovereenkomst pas per 1 augustus 2025 is aangevangen. Daardoor kon zij zich pas later inschrijven en had zij vertraging in het rooster en ontving zij de facturen later. De kantonrechter volgt [werknemer] hierin niet. Uit niets blijkt dat [werknemer] niet in de eerste week al kon starten met de opleiding. Uit de verklaring van [school] blijkt dat het schoolgeld pas na 1 oktober 2025 betaald diende te worden. Het nog niet betaald zijn van het schoolgeld stond dus niet aan het volgen van de opleiding in de weg. Wellicht had [werknemer] nog geen rooster ontvangen, maar daarvoor had ze contact op kunnen en moeten nemen met [school] . Dat moet en kan zij zelf doen en is geen taak of verplichting van [werkgever] . [werknemer] heeft zelf niet tijdig actie ondernomen, waardoor ze de eerste drie weken van de opleiding heeft gemist. Vervolgens blijkt op school dat [werknemer] nog bepaalde licenties moet aanschaffen, om naast de algemene vakken de andere, praktijkgerichte, vakken te kunnen volgen. [werknemer] licht [werkgever] hier pas op 29 september 2025 over in. Daardoor werd de factuur tot die datum als spam aangemerkt en niet betaald door [werkgever] . [werknemer] had ook op dit punt beter moeten communiceren met [werkgever] . Zij kan niet van [werkgever] verwachten dat die actief bij [school] gaat informeren of zij voor haar werknemer nog kosten moet voldoen. Daarnaast leverde [werknemer] , ondanks verzoeken daartoe, niet de benodigde stukken aan bij [school] en [werkgever] , waardoor de beroepspraktijkvormingsovereenkomst niet kon worden opgemaakt. Uit het e-mailbericht van 29 oktober 2025 van [school] blijkt dat [school] [werknemer] niet heeft kunnen bereiken. Ze kon niet worden aangesproken op school, omdat ze daar niet aanwezig was. [school] heeft haar gebeld en via WhatsApp bericht gestuurd, maar een antwoord van [werknemer] bleef uit. Vervolgens heeft [school] haar op 20 oktober 2025 een brief gestuurd waarop zij evenmin heeft geantwoord. Doordat [werknemer] niet de benodigde gegevens aanleverde kon de beroepspraktijkvormingsovereenkomst niet worden opgesteld. Door haar nalatigheid is deze overeenkomst niet tot stand gekomen. Nu deze overeenkomst door nalaten van [werknemer] niet is gesloten en [werknemer] ook praktisch geen uitvoering gaf aan de opleiding, heeft [werkgever] terecht een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde. Kenmerkend voor de leer-arbeidsovereenkomst is nu juist de onlosmakelijke samenhang van deze overeenkomst met de beroepspraktijkvormingsovereenkomst. Een redelijke uitleg van artikel 1.3 van de leer-arbeidsovereenkomst brengt mee dat ook in de situatie als deze, waarin er geen beroepspraktijkvormingsovereenkomst is gesloten, de voorwaarde voor ontbinding van de leer-werkovereenkomst intreedt.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat de bewindvoerder in het ongelijk is gesteld. De proceskosten aan de zijde van de [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

5.De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek

5.1.
Aangezien de voorwaarde van het tegenverzoek niet wordt vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
5.2.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] in het ongelijk is gesteld. De proceskosten aan de zijde van de bewindvoerder worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). Omdat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van betekeningskosten
.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
op het voorwaardelijk tegenverzoek,
6.3.
wijst het verzoek af,
6.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het verzoek en op het voorwaardelijk tegenverzoek
6.5.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 6.2. en 6.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.