ECLI:NL:RBZWB:2026:3647

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
12154787 \ VV EXPL 26-19 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:650 lid 3 BWArt. 7:653 lid 1 sub b BWArt. 7:653 lid 3 onderdeel b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke schorsing non-concurrentie- en relatiebeding bij overstap naar concurrent

Een ex-werknemer van een uitzend- en detacheringsbureau wil overstappen naar een directe concurrent als vestigingsmanager, maar wordt belemmerd door een non-concurrentie- en relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter beoordeelt in kort geding of deze bedingen geschorst kunnen worden. De werkgever stelt dat het concurrentiebeding noodzakelijk is ter bescherming van bedrijfsgevoelige informatie en klantenrelaties, terwijl de werknemer betoogt dat de bedingen onbillijk en te algemeen zijn en zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperken.

De rechter oordeelt dat het concurrentiebeding onbillijk is en dat de werkgever onvoldoende heeft onderbouwd dat het vertrek van de werknemer het bedrijfsdebiet aantast. Het relatiebeding is te ruim geformuleerd en onduidelijk, waardoor de werknemer onredelijk wordt beperkt. Daarom wordt het non-concurrentiebeding volledig geschorst en het relatiebeding gedeeltelijk, zodat de werknemer bij de concurrent mag werken zonder het risico van boetes.

De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het non-concurrentiebeding wordt volledig geschorst en het relatiebeding gedeeltelijk, zodat de werknemer bij de concurrent mag werken zonder onredelijke beperkingen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 12154787 \ VV EXPL 26-19
Vonnis in kort geding van 1 mei 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. E.P.E. Fluit,
tegen
[werkgever] B.V., T.H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigden: mr. R.C.M. Andriessen en mr. M.M. Rijnen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de producties 1 tot en met 15 ontvangen van [werkgever] .
1.2.
Op 9 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [werkgever] is daarbij een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is de procedure een week aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Vervolgens is vonnis gevraagd en is de uitspraak bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 9 januari 2023 in dienst getreden bij [werkgever] . Per 14 juli 2023 is [werknemer] voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [werkgever] in de functie van Medior Adviseur voor 40 uur per week tegen een brutoloon van € 2.850,00.
2.2.
[werkgever] is een uitzend- en detacheringsbureau dat professionals en opdrachtgevers verbindt in de bouw, industrie, woningcorporaties en publieke sector. Zij heeft tien vestigingen verspreid over Nederland.
2.3.
In de arbeidsovereenkomst is onder ander het volgende overeengekomen:

Artikel 8 Geheimhouding Pro
Werknemer verplicht zich tot geheimhouding van alle gegevens, de werkgever of haar relaties betreffende, waarvan werknemer het vertrouwelijke karakter kent of had kunnen vermoeden.
Artikel 9 Concurrentiebeding Pro
Op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen, is het werknemer verboden, tenzij werknemer daartoe uitdrukkelijk voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever heeft verkregen, aan welke toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden, binnen een straal van 45 kilometer van de standplaats van de vestiging(en) van werknemer, waar hij/zij gedurende driejaar voorafgaande aan het einde van het dienstverband met werkgever werkzaam is geweest, in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, hetzij direct of indirect in of voor een dergelijke zaak op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen een vergoeding, hetzij om niet, of in een dergelijke zaak een aandeel te hebben van welke aard dan ook.
Het verbod zoals geformuleerd onder 1 geldt gedurende een periode gelijk aan de duur van het dienstverband met werkgever met een minimumduur van één jaar en een maximumduur van twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst met werkgever.
Artikel 10 Relatiebeding Pro
Op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen, is het werknemer verboden om gedurende een periode van 2 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking, hetzij direct, hetzij indirect, in welke vorm dan ook, zowel passief als actief, (telefonisch) contact te onderhouden, bezoeken af te leggen, onderhandelingen te voeren, zaken te doen etc., met oude en/of op dat moment bestaande relaties van werkgever of met relaties van aan werkgever gelieerde ondernemingen.
Als "oude en/of op dat moment bestaande relaties" worden in ieder geval, doch niet uitsluitend, beschouwd al die relaties, waarmee werkgever en/of aan haar gelieerde ondernemingen in de loop van 3 jaar voorafgaande aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst zakelijke overeenkomsten heeft/hebben gesloten, heeft/hebben bemiddeld, uitgezonden, gedetacheerd en/of daartoe heeft/hebben ingeschreven, en/of onderhandelingen inzake mogelijke transacties heeft/hebben gevoerd en/of waar de werkgever een of meerdere acquisitiegesprekken heeft gevoerd en/of een of meerdere bedrijfsbezoeken heeft afgelegd, alsmede alle werknemers en ex-werknemers van werkgever en/of aan haar gelieerde ondernemingen.
Indien de werknemer twijfelt over de vraag of een persoon of instelling voor wie hij/zij overweegt werkzaamheden te verrichten, dan wel opdrachten te aanvaarden, een relatie is, zal de werkgever op eerste schriftelijk verzoek van de werknemer ook schriftelijk meedelen of de persoon of instelling een relatie is van werkgever.
(…)
Artikel 14 Boetebeding Pro
In geval van overtreding van artikel 8, 9, 10, 11, 12 en 13 van deze arbeidsovereenkomst, zal werknemer, in afwijking van het bepaalde in artikel 7: 650 lid 3 en 5 BW, een aan de werkgever toekomende onmiddellijk opeisbare boete verbeuren van € 10.000,- voor elke inbreuk en € 1.000,- voor elke dag dat de inbreuk voortduurt, met dien verstande dat werknemer bij overtreding van artikel 11 een Pro direct opeisbare boete van €50.000,- voor elke inbreuk verbeurt.”.
2.4.
[werknemer] heeft de arbeidsovereenkomst per 1 april 2026 opgezegd.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert:
primair
a. het non-concurrentie- en relatiebeding, en het boetebeding voor zover het daaraan is gekoppeld, te schorsen,
subsidiair
het non-concurrentiebeding te schorsen zodat [werknemer] bij [bedrijf] in dienst mag treden, het relatiebeding te schorsen zodat dit beding slechts geldt ter zake relaties van [werkgever] waarmee [werknemer] in de twaalf maanden voorafgaand aan het vonnis contact heeft gehad in het kader van zijn werk voor [werkgever] én die op enig moment in die twaalf maanden een overeenkomst met [werkgever] hebben gehad, en het boetebeding dienovereenkomstig te schorsen,
meer subsidiair
het non-concurrentie- en relatiebeding, en het boetebeding voor zover het daaraan gekoppeld is, zodanig te schorsen als de kantonrechter in goede justitie geraden acht.
Daarnaast vordert [werknemer] [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[werknemer] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [werknemer] wil in dienst treden bij uitzendbureau [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) te [plaats 1] . [werknemer] kan bij [bedrijf] vestigingsmanager worden. Daardoor vermindert zijn reistijd met acht uur per week. [bedrijf] biedt ook een hoger salaris met een interessante bonusregeling. [werknemer] wordt hierin echter belemmerd door het non-concurrentie- en relatiebeding dat voor twee jaar geldt. Deze bedingen zijn onbillijk en dienen op grond van artikel 7:653 lid Pro 3, onderdeel b, BW geheel of gedeeltelijk te worden vernietigd. De bedingen zijn te algemeen en verstrekkend. Het non-concurrentiebeding verbiedt werk te verrichten voor een onderneming die ‘gelijk, gelijksoortig of aanverwant’ is aan die van [werkgever] . De vaardigheden van [werknemer] zijn verder niet beschermenswaardig voor [werkgever] . Het zijn vaardigheden die [werknemer] voornamelijk zelf heeft ontwikkeld. Het betreft geen kennis die [werkgever] -specfiek is. [werkgever] heeft daardoor geen beschermenswaardig belang bij handhaving van de bedingen.
3.3.
[werkgever] heeft het volgende verweer gevoerd op de mondelinge behandeling. [werkgever] investeert in het opbouwen en het onderhouden van persoonlijke en duurzame relaties door haar adviseurs. Daarbij wordt nauw en persoonlijk contact onderhouden met de (potentiële) opdrachtgevers en met de professionals/kandidaten. Zo ontstaat een hechte band. Persoonlijke en vertrouwelijke informatie over de opdrachtgever en de professional worden nauwgezet bijgehouden in de Database van [werkgever] . Iedere adviseur binnen [werkgever] beschikt in de uitoefening van zijn functie over bedrijfsinformatie die commercieel gevoelig is. Dat betreft prijsstelling en marge-informatie, omrekenfactoren en urensystematiek, overname-fees en W&S-tarieven, arbeidsvoorwaarden van kandidaten en strategische bedrijfsontwikkelingen. [werknemer] heeft met de bedrijfsgevoelige informatie van [werkgever] een uniek en omvangrijk netwerk in Zeeland en West-Brabant opgebouwd. [bedrijf] is een directe concurrent van [werkgever] . Door in dienst te treden bij [bedrijf] zou [werknemer] het concurrentiebeding overtreden. [werknemer] had bij [werkgever] verder kunnen groeien en [werkgever] had graag in [werknemer] verder willen investeren. De vergoeding die [werknemer] bij [werkgever] ontving is hoger dan de vergoeding die [bedrijf] biedt. [werknemer] neemt essentiële informatie mee doordat [werknemer] een zodanige klantenbinding heeft. Daardoor wordt gevreesd dat zowel opdrachtgevers als professionals hem zullen volgen. Een afkoelingsperiode van twee jaar is om die reden noodzakelijk. Een lijst van namen opstellen met betrekking tot het relatiebeding is onmogelijk.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. Het concurrentiebeding belemmert [werknemer] bij een indiensttreding bij [bedrijf]. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Formele vereisten van de bedingen
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 1 sub b BW Pro (het schriftelijkheidsvereiste en de meerderjarigheidseis) is voldaan.
Het concurrentiebeding
4.4.
[bedrijf] ontplooit gelijke, gelijksoortige of concurrerende activiteiten in de bouw, industrie, techniek en logistiek. [bedrijf] is daardoor een directe concurrent van [werkgever] .
4.5.
Voor schorsing van het concurrentiebeding dient een belangenafweging in het kader van artikel 7:653 lid Pro 3, onderdeel b, BW plaats te vinden, waarbij de toets is of aannemelijk wordt geacht dat de bodemrechter het betreffende beding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen op de grond dat [werknemer] , in verhouding tot het te beschermen belang van [werkgever] , door dat beding onbillijk wordt benadeeld. In dat verband moeten de belangen van [werkgever] en [werknemer] worden afgewogen.
4.6.
Een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet - de opgebouwde knowhow en goodwill - van de werkgever te beschermen. Van een aantasting van het bedrijfsdebiet zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de betrokken werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is. Ook kan bijvoorbeeld sprake zijn van aantasting van het bedrijfsdebiet doordat de werknemer zo intensief samenwerkt met bepaalde klanten van de oude werkgever dat deze klanten overstappen naar zijn nieuwe werkgever.
4.7.
[werknemer] heeft er vanzelfsprekend belang bij om onbelemmerd gebruik te kunnen maken van het recht op vrijheid van arbeidskeuze. Het belang van [werknemer] ligt met name in de reistijd en de mogelijkheid om zich sneller te kunnen ontwikkelen, ook qua salaris. De functie die [werknemer] bij [bedrijf] zal vervullen – vestigingsmanager – lag bij [werkgever] in de (nabije) toekomst nog niet in het verschiet. Op de locatie te [plaats 3] waar [werknemer] voornamelijk alleen werkte, lag de ontwikkeling volgens [werknemer] al geruime tijd stil. Indien [werknemer] wordt gehouden aan het concurrentiebeding, leidt dat ertoe dat hij tot 1 april 2028 niet aan de slag zou kunnen in de detacheringsbranche van de bouw, industrie, techniek en logistiek, binnen een straal van 45 kilometer vanaf [plaats 3]. Het belang van [werkgever] bij handhaving van het beding is gelegen in de bescherming van haar bedrijfsdebiet. De kantonrechter is van oordeel dat het vertrek van [werknemer] naar [bedrijf] niet leidt tot aantasting daarvan. [werkgever] stelt dat zij de vrees heeft dat opdrachtgevers en professionals [werknemer] zullen volgen naar [bedrijf], maar [werkgever] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren.
[werkgever] voert verder aan dat haar adviseurs precies weten welke tarieven aan opdrachtgevers worden gefactureerd en binnen welke bandbreedte [werkgever] bereid is te onderhandelen. Ook voert [werkgever] aan dat de wijze waarop zij uurtarieven berekent, de omrekenfactoren die daarbij worden gehanteerd en de afspraken over normuren, standby-vergoedingen en overwerktoeslagen voor een concurrent van grote strategische waarde zijn. Met deze kennis zou een concurrent systematisch kunnen onderbieden. Voorts hanteert [werkgever] specifieke fee-structuren indien de professional direct in dienst treedt bij de opdrachtgever en indien de professional eerst een periode wordt uitgezonden en daarna in dienst treedt bij de professional. Met deze kennis zou volgens [werkgever] een concurrent in staat zijn om onder de offerte van [werkgever] te bieden. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kennis essentiële en unieke informatie betreft die door [werknemer] kan worden gebruikt en dat [bedrijf] daardoor in de concurrentieslag met [werkgever] in het voordeel is. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat in hun relatie nog steeds een geheimhoudingplicht voor [werknemer] van toepassing is. [werknemer] is geheimhouding opgelegd ter zake van alle gegevens van [werkgever] of haar opdrachtgevers waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of had moeten vermoeden. Deze geheimhoudingsplicht blijft na het einde van de arbeidsrelatie voor onbepaalde tijd geldig.
[werkgever] heeft daarnaast aangevoerd dat adviseurs de exacte arbeidsvoorwaarden van de kandidaten kennen, waardoor ze in staat zijn gerichte aanbiedingen te kunnen doen. En dat adviseurs op de hoogte zijn van de plannen, ambities en marktstrategie van de opdrachtgevers. Bij een overstap naar een concurrent zouden deze inzichten een instrument vormen voor directe concurrentie. De gestelde informatie is echter geen kennis die alleen bij [werkgever] beschikbaar is. Dat is namelijk ook op te vragen bij de opdrachtgever of bij de professional.
4.8.
De kantonrechter komt tot de slotsom dat de belangenafweging voorlopig in het voordeel van [werknemer] uitpakt, omdat [werknemer] onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [werkgever] . De verwachting is dat in de bodemprocedure het concurrentiebeding geen stand houdt.
Het relatiebeding
4.9.
Het is voorstelbaar dat [werknemer] voordeel zal kunnen behalen door gebruik te maken van zijn kennis van en over de opdrachtgevers van [werkgever] . De kantonrechter is echter van oordeel dat het relatiebeding te ruim is geformuleerd. [werkgever] heeft tien vestigingen in Nederland. [werknemer] weet daardoor niet wie de relaties van [werkgever] zijn. Het relatiebeding ziet daarnaast op alle oude en bestaande relaties van de afgelopen drie jaar. [werkgever] had hierover eenvoudig duidelijkheid kunnen verschaffen door een lijst te verstrekken van relaties die volgens haar onder het relatiebeding vallen. Op de mondelinge behandeling is over een dergelijke lijst (met bijvoorbeeld de zogeheten key clients) gesproken, maar de kantonrechter beschikt niet over een dergelijke lijst. Het is niet duidelijk of [werknemer] (bijvoorbeeld in het kader van een minnelijke regeling, waarover na de mondelinge behandeling nog is gesproken), wel over die lijst beschikt en of deze lijst accuraat is. Bij deze stand van zaken kan [werknemer] geen werkzaamheden uitoefenen zonder het risico te lopen door [werkgever] te worden aangesproken wegens overtreding van het relatiebeding. De kantonrechter is van oordeel dat deze onduidelijkheid voor rekening en risico van [werkgever] moet komen. Dat het relatiebeding de mogelijkheid biedt om bij twijfel over de vraag of een persoon of instelling een relatie is, dit schriftelijk kan worden nagevraagd, maakt dit niet anders. Dit is geen redelijke werkwijze en is feitelijk onwerkbaar.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] , in verhouding tot het te beschermen belang van [werkgever] , ook onbillijk wordt benadeeld door onverkorte handhaving van het relatiebeding. Het is voldoende aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het relatiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding het relatiebeding gedeeltelijk te schorsen.
4.10.
Het voorgaande maakt dat het concurrentiebeding geheel, het relatiebeding gedeeltelijk en het boetebeding dienovereenkomstig op bovenstaande grond zullen worden geschorst, nu naar alle waarschijnlijkheid de rechter in de bodemprocedure de bedingen (deels) zal vernietigen. Dat betekent dat hetgeen primair is verzocht wordt afgewezen en hetgeen subsidiair is verzocht wordt toegewezen.
4.11.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
Conform de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken uitgaande van een ‘gemiddelde’ zaak
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.257,67
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
schorst het non-concurrentiebeding en het boetebeding dienovereenkomstig, zodat [werknemer] bij [bedrijf] in dienst mag treden,
5.2.
schorst het relatiebeding gedeeltelijk en het boetebeding dienovereenkomstig zodat dit relatiebeding slechts geldt ter zake relaties van [werkgever] waarmee [werknemer] in de twaalf maanden voorafgaand aan het vonnis contact heeft gehad in het kader van zijn werk voor [werkgever] én die op enig moment in die twaalf maanden een overeenkomst met [werkgever] hebben gehad,
5.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.