ECLI:NL:RBZWB:2026:3813

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/5749 en 25/5551
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Verordening Maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024, Art. 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste toepassing criterium eigen kracht bij toekenning pgb informele begeleiding

Eiser, bekend met diverse aandoeningen, diende een aanvraag in voor verlenging van maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college kende hem zorg in natura en een persoonsgebonden budget (pgb) toe, deels met terugwerkende kracht. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat het college onzorgvuldig had gehandeld, met name door het criterium 'eigen kracht' onjuist toe te passen en onvoldoende rekening te houden met de cumulatieve zorgbelasting van zijn moeder, die de begeleiding verleent.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van procesbelang, aangezien de periode volledig was afgesloten en eiser zich kon verenigen met de omvang van het toegekende pgb. Het beroep tegen het tweede bestreden besluit was wel ontvankelijk en gegrond. De rechtbank stelde vast dat het onderzoek van het college zorgvuldig was uitgevoerd volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep, maar dat het college ten onrechte had aangenomen dat de moeder van eiser de bovengebruikelijke hulp vrijwillig en onbetaald kon verlenen, terwijl zij expliciet had aangegeven dit niet te kunnen en willen zonder vergoeding.

De rechtbank concludeerde dat het college het criterium 'eigen kracht' onjuist had toegepast door de zorg van de moeder als mantelzorg te kwalificeren, terwijl dit feitelijk niet het geval was. Dit leidde tot een ondeugdelijke motivering en onvoldoende zorgvuldigheid in het besluit over het pgb voor informele begeleiding. Daarom werd het tweede bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk; het beroep tegen het tweede besluit is gegrond en het besluit over het pgb voor informele begeleiding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: 24/5749 WMO 15 en 25/5551 WMO 15

uitspraak van 7 mei 2026 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

gemachtigde: [gemachtigde] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk(het college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroepen tegen besluiten van het college over aan hem toegekende maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
1.1.
In een besluit van 20 september 2023 (primair besluit I) heeft het college met terugwerkende kracht aan eiser zorg in natura (ZIN) toegekend voor 'begeleiding basis' voor 2 uur per week over de periode van [datum] 2023 tot en met 31 oktober 2023. Bij een afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit II) heeft het college aan eiser met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor 'begeleiding basis' voor 9 uur en 35 minuten per week over de periode van 1 juni 2023 tot en met 31 oktober 2023. Deze begeleiding wordt verleend door eisers moeder. In bestreden besluit I van 30 mei 2024 heeft het college eisers bezwaren tegen deze primaire besluiten deels gegrond verklaard en de besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten (zaaknummer 24/5749).
1.2.
In een besluit van 3 september 2024 (primair besluit III) heeft het college aan eiser 'begeleiding basis' toegekend in de vorm van zorg in natura (ZIN) voor 3 uur per week over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2025. Bij een afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit IV) heeft het college daarnaast (informele) 'begeleiding basis' toegekend in de vorm van een pgb voor 6 uur en 35 minuten per week over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 30 september 2024. Daarbij is bepaald dat de begeleiding vanaf 1 oktober 2024 stapsgewijs wordt afgebouwd naar 3 uur per week in de periode tot en met 30 november 2024, en vervolgens naar nihil. In bestreden besluit II van 16 september 2025 heeft het college eisers bezwaren tegen deze primaire besluiten deels gegrond verklaard en de besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. (zaaknummer 25/5551).
1.3.
Het college heeft op eisers beroepen tegen bestreden besluiten I en II gereageerd met verweerschriften.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep in de zaak met zaaknummer 24/5749 op 10 december 2025 op zitting behandeld. Bij beslissing van 23 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat deze zaak tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 25/5551 dient te worden behandeld. De beroepen zijn vervolgens op 27 maart 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door eisers moeder. Het college werd vertegenwoordigd door [naam] .

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiser, geboren op [datum] 2005, is onder meer bekend met ASS, Gilles de la Tourette, ARFID en een disharmonisch IQ. Hij heeft zich op 15 februari 2023 gemeld bij het college voor het verlengen van aan hem toegekende indicaties op grond van de Jeugdwet (Jw). Deze indicaties verliepen op [datum] 2023, omdat eiser toen 18 jaar werd. Hij heeft op 15 maart 2023 een persoonlijk plan voor een pgb ingediend.
In een besluit van 14 april 2023 heeft het college eisers moeder geïnformeerd dat sprake is van een wachtlijst voor de ondersteuningsvraag, de onderzoeksfase verlengd tot en met 31 mei 2023 en de Jw-voorzieningen verlengd. In een besluit van 19 april 2023 heeft het college eisers informele pgb voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging op grond van de Jw verlengd tot het keukentafelgesprek.
Op 24 april en 23 mei 2023 hebben keukentafelgesprekken plaatsgevonden. Het college heeft vervolgens op 22 juni 2023 een plan van aanpak toegezonden naar eiser en op 20 juli 2023 een garantstelling afgegeven voor de door [stichting] verleende zorg over de periode van [datum] 2023 tot en met 6 oktober 2023.
In een brief van 31 augustus 2023 heeft het college toestemming gevraagd voor het opvragen van medisch advies bij [organisatie] , die op 12 september 2023 is verleend. Op 7 september 2023 is een aangepast plan van aanpak toegezonden met een toelichting op het vervolgtraject, het medisch advies en de voortzetting van de voorzieningen.
Het college heeft vervolgens de primaire besluiten I en II genomen en deze bij bestreden besluit I in stand gelaten.
Na onderzoek door [organisatie] op 7 december 2023 heeft het college bij besluiten van 5 februari 2024 aan eiser voor de periode van 1 november 2023 tot en met 30 april 2024 begeleiding basis toegekend in de vorm van ZIN voor 2 uur per week, en een pgb voor 9 uur en 35 minuten per week. Deze voorzieningen zijn bij besluiten van 27 en 30 mei 2024 verlengd tot en met 30 juni 2024, en nadien tot en met 31 juli 2024.
Het college heeft op 9 juli 2024 een nieuw plan van aanpak aan eiser toegezonden met het verzoek een aanvraag in te dienen. Het college heeft deze op 28 augustus 2024 ontvangen. Hij heeft vervolgens de primaire besluiten III en IV genomen en deze bij bestreden besluit II in stand gelaten.
Eisers beroep tegen bestreden besluit I (zaaknummer 24/5749)
Standpunt van het college
3. Het college stelt dat moet worden uitgegaan van een aanvraagdatum van 15 maart 2023, ondanks dat in de primaire besluiten I en II de datum van 12 september 2023 wordt genoemd. Volgens het college is met de ingangsdata van [datum] 2023 en 1 juni 2023 terecht aangesloten bij eerder toegekende indicaties, omdat het onderzoek nog niet was afgerond. De overschrijding van de gebruikelijke onderzoekstermijnen doet volgens het college niet af aan de rechtmatigheid van bestreden besluit I. De einddatum van 31 oktober 2023 is vastgesteld in de verwachting dat het onderzoek dan zou zijn afgerond. Dat dit niet is gebeurd, betekent volgens het college niet dat de primaire besluiten I en II moesten worden herroepen. Bij besluiten van 5 februari 2024 zijn de indicaties met ingang van 1 november 2023 bovendien verlengd, waarmee de continuïteit van de zorg was gewaarborgd.
Eisers beroepsgronden gericht tegen bestreden besluit I
4. Eiser voert aan dat hij zijn aanvraag voor verlenging van jeugdhulp op 15 februari 2024 heeft ingediend, maar dat het college deze ten onrechte als melding heeft aangemerkt. Volgens eiser heeft het college ten onrechte Wmo-voorzieningen met terugwerkende kracht toegekend zonder een daaraan voorafgaand (medisch) onderzoek. Eiser voert verder aan dat de handelwijze van het college ertoe heeft geleid dat hij zijn studie heeft moeten staken, en dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend omdat zijn bezwaren tegen primaire besluiten I en II deels gegrond zijn verklaard.
4.1.
Eisers gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat het beroep ziet op de toekenning van het pgb, en dat de rechtbank zich niet hoeft uit te laten over de toegekende zorg in natura (ZIN). De rechtbank zal over dit onderdeel dan ook geen oordeel geven.
Is in deze zaak sprake van procesbelang?
5. Deze zaak heeft betrekking op periodes in het verleden die inmiddels geheel zijn afgesloten. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
5.1.
De rechtbank stelt bij het besluitonderdeel over het pgb vast dat eiser – onder meer in het aanvullende beroepschrift van 14 maart 2026 – heeft verzocht om met terugwerkende kracht ten minste 9 uur en 35 minuten individuele begeleiding toe te kennen, maar dat het college dit al heeft gedaan in de bestreden besluitvorming (en daaropvolgende besluitvorming tot en met 31 juli 2024). Namens eiser is ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat hij zich kan verenigen met de omvang van het toegekende pgb als zodanig. Daarin is dus geen procesbelang (meer) gelegen, ook niet voor de toekomst. Eiser heeft gesteld dat hij zich met name verzet tegen de handelwijze van het college. Eiser stelt dat hij als gevolg van die handelwijze schade heeft geleden, in die zin dat hij zijn hbo-opleiding Rechten aan [school] heeft moeten beëindigen en gedurende een periode thuis heeft gezeten. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij een overzicht van zijn opleidingen (van DUO) overgelegd. Daarmee heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband tussen de handelwijze van het college en het beëindigen van zijn studie. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken van behandelaars of de onderwijsinstelling waaruit blijkt van studieproblemen die samenhangen met de procedures tegen of onderzoeken van de gemeente. Ook het rapport van [stichting] van november 2023 biedt geen aanknopingspunten om eisers stelling te ondersteunen. De rechtbank merkt hierbij op dat het college in de periode waarin eiser geen onderwijs volgde (van 1 juni 2024 tot en met 1 september 2024) ondersteuning is blijven bieden in de vorm van ZIN en een pgb. Omdat eisers gemachtigde ter zitting ook overigens geen nadere onderbouwing van de gestelde schade heeft kunnen geven, acht de rechtbank het op voorhand onaannemelijk dat eiser als gevolg van bestreden besluit I schade heeft geleden.
Zoals hiervoor overwogen, is een louter formeel of principieel belang evenmin voldoende om een procesbelang aan te nemen. Dit betekent dat eiser ook geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I, enkel omdat hij zich niet kan verenigen met de handelwijze van het college en om erkenning verzoekt, zoals zijn gemachtigde en moeder ter zitting nader uiteen hebben gezet.
5.2.
Eiser wil met deze procedure ook bereiken dat het college wordt veroordeeld in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [2] , levert het niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op, tenzij het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen, terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. In dit geval is van deze uitzonderingssituatie geen sprake. Hoewel eisers bezwaren deels gegrond zijn verklaard, heeft het college de primaire besluiten I en II volledig in stand gelaten en enkel de motivering ervan aangevuld. Er is daarom geen sprake van herroeping van deze besluiten. Dit betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is bij het niet vergoeden van bezwaarkosten.
Eisers beroep tegen bestreden besluit II (zaaknummer 25/5551)
Standpunt van het college
6. Volgens het college had hij in bestreden besluit II niet meer pgb-uren hoeven toekennen voor individuele begeleiding en persoonlijke verzorging, wegens de aanwezigheid van eigen kracht. Het college werpt eiser tegen dat zijn moeder al geruime tijd zorg draagt voor hem, zijn broer en vader, en dat uit de medische adviezen van SAP van 9 maart 2022 en van [organisatie] van 29 maart 2024 niet volgt dat zij hierdoor overbelast is.
Eisers beroepsgronden gericht tegen bestreden besluit II
7. Eiser betoogt dat het college zijn aanvraag om begeleiding ten onrechte deels heeft afgewezen en het pgb heeft afgebouwd. Volgens hem is het onderzoek onzorgvuldig verricht, en voldoet het niet aan het stappenplan van de CRvB. Eiser stelt verder dat het college hem ten onrechte en zonder deugdelijke motivering tegenwerpt dat zijn moeder op eigen kracht de benodigde bovengebruikelijke begeleiding kan bieden. Begeleiding door het sociale netwerk van een volwassene moet volgens eiser als mantelzorg worden aangemerkt. Dergelijke zorg is per definitie vrijwillig, en kan niet worden afgedwongen. Zijn moeder heeft bovendien expliciet aangegeven deze begeleiding niet onbetaald te kunnen en willen leveren. Eiser voert verder aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de cumulatieve zorgbelasting van zijn moeder. Hij wijst daarbij op haar recht om in een eigen inkomen te voorzien, waarbij hij zich beroept op het VN-Vrouwenverdrag. Eiser stelt tot slot dat het college zich onvoldoende baseert op informatie van behandelaars en dat de besluitvorming inconsistent is, nu vergelijkbare zorgvragen binnen zijn gezin verschillend zijn beoordeeld.
Relevante wet- en regelgeving
8. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Het stappenplan van de CRvB
9. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [3] vloeit uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst (stap 1) moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens (stap 2) zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Nadat die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan (stap 3) worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de Wmo vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
10. Eiser richt zich met zijn beroep tegen bestreden besluit II enkel op het toegekende pgb voor informele begeleiding. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of het onderzoek van het college zorgvuldig en volgens het stappenplan van de CRvB is uitgevoerd, en of het college eiser de aanwezigheid van eigen kracht mag tegenwerpen.
Is sprake van voldoende procesbelang?
11. Deze zaak heeft ook betrekking op een periode in het verleden die inmiddels geheel is afgesloten. Eiser wil voor de door hem ontvangen ondersteuning een hoger pgb ontvangen dan aan hem is toegekend. Omdat het hierbij gaat om een financiële aanspraak, heeft hij belang bij een inhoudelijk oordeel over bestreden besluit II. Een inhoudelijk oordeel hierover kan bovendien van belang zijn met het oog op toekomstige aanvragen om een voorziening op grond van de Wmo. De rechtbank concludeert daarom dat eiser voldoende procesbelang heeft in deze beroepsprocedure.
Beoordeling van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het college
12. Het college heeft zich bij het nemen van bestreden besluit II met name gebaseerd op het advies van [organisatie] van 29 maart 2024. Sociaal medisch adviseur [arts] (arts) heeft een huisbezoek afgelegd op 7 december 2023. Bij het onderzoek waren eiser en zijn moeder aanwezig, en via een telefoonverbinding was eisers gemachtigde aanwezig. Eisers ziektegeschiedenis, zijn medicatiegebruik en dagelijks functioneren werden besproken. Eisers functioneren en het bewegingspatroon werden geobserveerd, en er werd kennisgenomen van de bij de aanvraag gevoegde documenten. Het betreft een besluit naar aanleiding van het plan van aanpak van 7 september 2023 en een advies van SAP van 9 maart 2022 over de inzet van begeleiding. Bij het onderzoek heeft eiser nog een aantal documenten overgelegd, in de vorm van een diagnostisch beeld van [stichting] van november 2023 (diagnose, beschrijvende diagnose, informatie voorgeschiedenis), en een ongedateerde reactie van eiser op het plan van aanpak van 9 juli 2024. Er werd geen aanvullende medische informatie opgevraagd, omdat voor het uitbrengen van een advies geen nadere feitelijke informatie van de behandelend arts noodzakelijk was.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank was het onderzoek van het college als zodanig volledig en zorgvuldig, mede gelet op de hiervoor omschreven onderzoekshandelingen van [organisatie] en de daarbij betrokken medische informatie. De eerste drie stappen van het stappenplan zijn correct gevolgd, waarbij eisers hulpvraag is vastgesteld, de concrete problemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie zijn onderzocht, eisers ondersteuningsbehoefte in kaart is gebracht, en de mogelijkheden om deze ondersteuning te bieden zijn onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn bij het onderzoek geen wezenlijke aspecten gemist. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het college zich onvoldoende heeft gebaseerd op informatie van zijn behandelaren. De rechtbank merkt daarbij op dat in het advies van [organisatie] van 29 maart 2024 is vermeld dat eiser is gevraagd of er naast het besprokene nog andere zaken van belang waren voor de medische beoordeling. Eiser heeft daarop geantwoord dat alle relevante aspecten zijn besproken, en hij heeft geen aanvullende informatie naar voren gebracht. Eisers ter zitting geponeerde stelling dat zijn eetstoornis (ARFID) ten onrechte niet is meegenomen in de advisering door het college slaagt evenmin. Hoewel deze stoornis niet is vermeld onder de kopjes 'Aandoeningen' en 'Stoornissen' in het advies, is op pagina 5 van het advies onder het kopje 'Persoonlijke verzorging' het volgende opgenomen:
"Betrokkene is zelfstandig in het fysieke uitvoeren van de taken behorend tot de persoonlijke verzorging. Er is wel enige ondersteuning nodig in het behouden van structuur in de handelingen. Dat geldt in enige mate het uitvoeren van de lichamelijke verzorging en in meerdere mate voor het eten en drinken. Betrokkene handhaaft zelfstandig geen passend eetpatroon. Aansturing en toezicht op het terrein van de persoonlijke verzorging is door het medisch beeld van betrokkene noodzakelijk". Op pagina 8 is onder het kopje 'Deskundigheid van de ondersteuning' ook opgenomen:
"Voor de begeleiding in het eetpatroon is geen specifieke deskundigheid op behandel- of begeleidingsniveau noodzakelijk". Eisers eetstoornis is derhalve onderkend en meegewogen in het onderzoek van het college. Het advies van [organisatie] is verder inzichtelijk gemotiveerd en concludent. Niet is gebleken dat het onjuiste feiten bevat met betrekking tot eisers medische situatie. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen medische overwegingen.
Mocht het college eiser tegenwerpen dat sprake is van 'eigen kracht'?
13. In stap 4 van het stappenplan van de CRvB moet het college onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft het begrip 'eigen kracht' in artikel 1, aanhef en onder 24, van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024 gedefinieerd als
"de mogelijkheid van een persoon om zelf om te gaan met tegenslagen in het leven en/of zich hierbij in het kader van gebruikelijke hulp of vanuit het sociale netwerk te laten ondersteunen". De Wmo definieert het begrip 'eigen kracht' niet. In de Memorie van Toelichting wordt hieronder verstaan: dat wat binnen het vermogen van de betrokkene ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien (Kamerstukken II 2013/14, 33841, 3, p. 144).
13.1.
Niet in geschil is dat het bij de geweigerde ondersteuning gaat om bovengebrui-kelijke hulp, zoals uit het advies van [organisatie] volgt, en dat eiser op dit vlak zelf geen eigen kracht heeft. Ter zitting heeft het college zich nader op het standpunt gesteld dat van moeder ook het verlenen van bovengebruikelijke hulp mag worden verwacht. Er is sprake van eigen kracht van moeder, ze is niet overbelast en behoort tot het sociale netwerk van eiser. De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak moet gaan om de eigen kracht van eiser, niet van moeder. De rechtbank vat het standpunt van het college over de eigen kracht daarom zo op dat in dit geval sprake is van ondersteuning vanuit het sociale netwerk, dan wel mantelzorg. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen [4] , kan niet worden gesproken van mantelzorg als de zorg niet onbetaald vrijwillig geschiedt. Eiser heeft echter ondubbelzinnig gesteld dat zijn moeder de begeleiding niet vrijwillig kan en wil verlenen, maar dat zij hiervoor een betaling verlangt. Ter zitting heeft eisers moeder dit desgevraagd bevestigd, en verder verklaard dat zij niet zonder meer alle zorg kan leveren, omdat zij (indien zij geen pgb ontvangt, zo begrijpt de rechtbank) ook moet werken om in een inkomen te voorzien. Dit betekent dat het college zich in bestreden besluit II ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser wat betreft de geweigerde hulp een beroep zou kunnen doen op mantelzorg of ondersteuning vanuit zijn sociale netwerk. Dit klemt temeer, nu het college in een besluit van 22 oktober 2025 aan eisers jongere broer – die in hetzelfde gezin woont en aan wie moeder eveneens bovengebruikelijke hulp verleent – een pgb heeft toegekend waarbij de eigen kracht kennelijk niet is tegengeworpen. Het college heeft hiervoor ook ter zitting geen afdoende verklaring kunnen geven.
13.2.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het college voor de bovengebruikelijke hulp van eisers moeder in beginsel een maatwerkvoorziening had moeten verlenen. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan van de verlening van een maatwerkvoorziening door het college (deels) zou moeten worden afgezien. Dit betekent dat bestreden besluit II niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, en ondeugdelijk is gemotiveerd, voor zover dit betrekking heeft op het pgb voor informele begeleiding (de beslissing in primair besluit IV).

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen, voor zover daarin primair besluit IV in stand is gelaten. Het college wordt opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op eisers bezwaren tegen primair besluit IV, met inachtneming van deze uitspraak. Omdat (invulling van) de toekennende beslissing inzicht vereist in alle relevante feiten en omstandigheden, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal zij geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou zijn.
14.1.
Omdat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college in de procedure over dit besluit aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt het college in de procedure over bestreden besluit II verder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Zijn gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt daarmee in totaal € 1.868,-. Verder komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten in verband met de zitting. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer, en deze bedragen € 13,50. De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding vast op € 1.881,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt bestreden besluit II, voor zover daarin primair besluit IV in stand is gelaten;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaren tegen primair besluit IV met inachtneming van de uitspraak;
- draagt het college in de procedure over bestreden besluit II op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de procedure over bestreden besluit II in eisers proceskosten tot een bedrag van € 1.881,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. M. Snoeks, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 1.2.1
Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit:
a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie,
(…).
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
(…).
Verordening Maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024
Artikel 1. Begripsbepalingen
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
18. Sociaal netwerk
Het sociale netwerk is een verzamelnaam voor de groep mensen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Mantelzorgers horen daarbij, net als (andere) familieleden, vrienden, buren en collega’s. Netwerken van mensen verschillen in grootte en samenstelling. Ze bestaan uit hechte contacten tussen mensen die elkaar regelmatig zien, maar ook uit contacten die meer op afstand zijn of een meer los karakter hebben.
(…)
24. Eigen kracht, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
De mogelijkheid van een persoon om zelf om te gaan met tegenslagen in het leven en/of zich hierbij in het kader van gebruikelijke hulp of vanuit het sociale netwerk te laten ondersteunen.
Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening
1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt; of
b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
(…)
3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Waalwijk ;
b. voor zover de cliënt, naar het oordeel van het college, de problematiek op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen;
(…).
Artikel 7. Advisering
Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college vergewist zich van de zorgvuldigheid van extern uitgevoerd onderzoek en advies alvorens dit over te nemen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1508.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:305.
3.Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
4.Zie de uitspraken van 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17, 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368, en 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3348.