ECLI:NL:CRVB:2026:305

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/1837 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij vergoeding bezwaarkosten

Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over de toekenning van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Na een eerdere uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarde en het beroep gegrond, stelde appellant hoger beroep in tegen het niet vergoeden van de bezwaarkosten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert, tenzij het bestuursorgaan het besluit in bezwaar herroept zonder vergoeding toe te kennen of de hoogte van de vergoeding in geschil is. Dit was niet het geval, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Daarnaast bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank over de toegekende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelt dat de procedures samenhangen en dat slechts eenmaal een vergoeding per fase van de procedure kan worden toegekend.

Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard voor vergoeding bezwaarkosten en de eerdere schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn is bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1837 JW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 22/3366 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
SAMENVATTING
In deze zaak oordeelt de Raad dat het niet vergoeden van de kosten die in bezwaar zijn gemaakt geen procesbelang oplevert. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, voor zover dat de toegekende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. N. El Moussaoui gronden ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 24/1836 op een zitting van 18 december 2025. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 19 augustus 2021 heeft het college, beslissend op een bezwaar van appellant, aan appellant jeugdhulp toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 3 september 2020 tot en met 31 december 2020. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, omdat niet was aangegeven hoe hoog het pgb is en het besluit ook verder niet was geconcretiseerd.
1.2.
Met een besluit van 30 november 2021 heeft het college aan appellant voor de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020 jeugdhulp toegekend in de vorm van een pgb bestaande uit begeleiding individueel categorie 2 voor 30 uur per week. Hierbij heeft het college het formele tarief van € 54,- per uur gehanteerd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Met het besluit van 20 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarnaast heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten die appellant in beroep heeft gemaakt en bepaald dat het college het door appellant betaalde griffierecht aan hem vergoedt. De rechtbank heeft hiertoe het volgende geoordeeld. Het besluit van 30 november 2021 is een aanvulling op de beslissing op bezwaar van 19 augustus 2021. Het is daarmee een wijzigingsbesluit, zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen het besluit van 19 augustus 2021 is beroep ingesteld. Deze zaak is bekend bij de rechtbank met nummer 21/6247. Het beroep van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2021 is dan ook automatisch gericht tegen het besluit van 30 november 2021. Tegen dat besluit stond dus geen bezwaar open. Het college was niet bevoegd om op het bezwaar te beslissen en had het bezwaarschrift door moeten sturen aan de rechtbank om de bezwaargronden als aanvullende beroepsgronden te behandelen bij het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2021. De rechtbank heeft in die zaak kennis genomen van deze gronden en uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de rechtbank een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien sprake is van twee of meer zaken die qua feitencomplex en onderwerp van geschil een duidelijke samenhang vertonen, dienen deze wat de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft, als één zaak te worden aangemerkt. Het beroep in de onderhavige zaak hangt onlosmakelijk samen met het beroep waarover de rechtbank in de uitspraak met nummer 21/6247 heeft geoordeeld. Daarom bestaat er geen aanleiding om aan appellant in de onderhavige zaak ook apart schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant had de rechtbank het college moeten veroordelen in de proceskosten in bezwaar. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte gesteld dat de uitspraak inzake het beroep in de onderhavige zaak onlosmakelijk samenhangt met de zaak met nummer 21/6247. Er had per procedure een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen moeten worden.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant met het instellen van het hoger beroep nog voldoende procesbelang heeft in deze zaak.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
Appellant wil met deze procedure uitsluitend bereiken dat het college wordt veroordeeld in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld, levert het niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op, tenzij het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. [1]
4.3.
In dit geval is van de in 4.2 bedoelde uitzonderingssituatie geen sprake. Het college heeft zijn besluit van 30 november 2021 niet herroepen. Dat betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is bij het niet vergoeden van bezwaarkosten.
Het verzoek om schadevergoeding
4.4.
De rechtbank heeft het verzoek om materiële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht afgewezen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de zaak samenhangt met de zaak met nummer 21/6247. Die beroepsprocedure en de onderhavige procedure hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling voor die zaken slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het de vergoeding van de bezwaarkosten betreft, vanwege het ontbreken van procesbelang. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover het de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft.
5.2.
Appellant krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat betrekking heeft op de vergoeding van de bezwaarkosten;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover het de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636.