ECLI:NL:RBZWB:2026:3994
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.G.J.M. de Weert
- S. Hindriks
- T.I. van Term
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat verwijdering onderwijsinstelling uit Gedragscoderegister bestuursbesluit is
De zaak betreft een geschil tussen een onderwijsinstelling en de Landelijke Commissie Gedragscode Hoger Onderwijs (LCG) over de vraag of de brief van 6 juni 2024 waarin de onderwijsinstelling uit het Gedragscoderegister werd verwijderd, een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De LCG stelde dat dit geen besluit was en weigerde het bezwaar van de onderwijsinstelling inhoudelijk te behandelen.
De rechtbank stelt vast dat de LCG een publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om de rechtspositie van onderwijsinstellingen eenzijdig te bepalen, mede door de koppeling met artikel 1.20 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat vereist dat een instelling voor hoger onderwijs is ingeschreven in het Gedragscoderegister om als referent erkend te worden. Hierdoor kwalificeert de LCG als bestuursorgaan en is de verwijdering een publiekrechtelijke rechtshandeling.
De brief van 6 juni 2024 is daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. De rechtbank oordeelt dat de LCG het bezwaar ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld en vernietigt het bestreden besluit. De LCG wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen de wettelijke termijn. Tevens wordt de LCG veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de onderwijsinstelling.
De uitspraak benadrukt de juridische status van de LCG en de gevolgen van verwijdering uit het Gedragscoderegister voor het erkend referentschap, waarbij de rechtbank een ruime uitleg geeft aan het begrip bestuursorgaan en besluit in het bestuursrecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de LCG en draagt op tot een nieuw besluit met inhoudelijke behandeling van het bezwaar.