Eiseres heeft op 5 februari 2025 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft de beslistermijn onrechtmatig verlengd. Na ingebrekestelling op 13 februari 2026 en het verstrijken van de termijn, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn wordt opgelegd, maar stelt in dit geval een termijn tot uiterlijk 1 april 2027 vast.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. De reeds verschuldigde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.