ECLI:NL:RBZWB:2026:4421

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11310092 \ CV EXPL 24-3355
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schending geheimhoudingsbeding en vernietiging concurrentiebeding

In deze arbeidsrechtelijke bodemzaak heeft de kantonrechter bij tussenvonnis een bewijsopdracht gegeven aan de werknemer om aan te tonen dat tijdens een gesprek op 22 mei 2024 de kwestie met betrekking tot verwijderde bestanden was opgelost. De werknemer heeft dit bewijs geleverd door middel van getuigenverklaringen, waaronder die van zijn vader en zichzelf.

De kantonrechter heeft de verklaringen van de werknemer en zijn vader als geloofwaardiger beoordeeld dan die van de directeur en medewerkers van de werkgever, mede omdat de eerste verklaringen onderling consistent zijn en ondersteund worden door eerdere schriftelijke verklaringen. Op grond hiervan is vastgesteld dat de werkgever haar recht op het vorderen van een boete wegens schending van het geheimhoudingsbeding heeft verwerkt.

Daarnaast had de kantonrechter reeds overwogen dat het concurrentiebeding vernietigd zal worden. De vorderingen van de werkgever worden afgewezen en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De werknemer krijgt in reconventie gelijk en het concurrentiebeding wordt vernietigd, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering wegens schending van het geheimhoudingsbeding wordt afgewezen en het concurrentiebeding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11310092 \ CV EXPL 24-3355
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[partij 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. M.C.A.M. van der Meer,
tegen
[partij 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. N. Tovmasyan.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft de kantonrechter [partij 2] bij tussenvonnis van 26 maart 2025 een bewijsopdracht gegeven. In dit vonnis komt de kantonrechter tot het oordeel dat [partij 2] geslaagd is in het leveren van het benodigde bewijs. Daarom zal de vordering van [partij 1] die gebaseerd is op schending van het geheimhoudingsbeding afgewezen worden. Eerder had de kantonrechter al overwogen dat het concurrentiebeding vernietigd zal worden. Hieronder legt de kantonrechter het oordeel nader uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025
- het getuigenverhoor van 26 september 2025
- het getuigenverhoor van 3 maart 2026 .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

in conventie
3.1.
In het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft [partij 2] de opdracht gekregen om te bewijzen dat [persoon 2] tijdens het gesprek op 22 mei 2024 (nadat de bestanden ter plekke waren verwijderd) heeft gezegd – letterlijk of met woorden van gelijke strekking – dat het probleem/de kwestie met betrekking tot de bestanden was opgelost/afgewikkeld en dat de kous daarmee af was.
3.2.
[partij 2] heeft aan voormelde bewijsopdracht uitvoering gegeven door het laten horen van twee getuigen, namelijk zijn vader ( [persoon 3] ) en zichzelf. In contra-enquête zijn op verzoek van [partij 1] drie getuigen gehoord, namelijk [persoon 2] (directeur van [partij 1] ), [persoon 4] (online marketeer manager bij [partij 1] ) en [persoon 5] (online marketeer bij [partij 1] ).
3.3.
In het onderstaande zal de kantonrechter het bewijs waarderen, waarbij als toetsingskader geldt dat de door [partij 2] te bewijzen feiten en omstandigheden (pas) bewezen zijn, als er sprake is van een redelijke mate van zekerheid daarvan.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij 2] geslaagd is in de bewijsopdracht. Dat oordeel motiveert de kantonrechter als volgt.
3.5.
[partij 2] verklaarde tijdens het getuigenverhoor onder meer het volgende: “
Wij hebben de laptop die ik bij me had via een HDMI-kabel aangesloten op een groot scherm. Zij zagen vervolgens dat de documenten, die ik naar mezelf had verzonden, nog niet waren uitgepakt. Die documenten zijn van de laptop verwijderd.(…)
Nadat dat was gedaan vroeg mijn vader of dit nu achter de rug was. De heer [persoon 2] heeft daarop gezegd: ‘ja’. Vervolgens heeft de heer [persoon 2] de arbeidsovereenkomst doorgenomen. Toen hij bij het concurrentiebeding uit kwam heb ik gezegd dat ik inmiddels bij [bedrijf] werk.(…)
[persoon 2] werd hierover boos.
3.6.
[persoon 3] verklaarde tijdens het getuigenverhoor onder meer het volgende: “
De computer die [partij 2] had meegenomen werd aangesloten op een groot scherm. De bestanden zijn vervolgens naar de prullenbak verzonden en die werd geleegd. Daarna vroeg ik: ‘mooi, is het opgelost? Zijn we er klaar mee? of te wel, kunnen we verder’(…)
hij( [persoon 2] )
bevestigend antwoordde.(…)
Vervolgens zei [persoon 2] , ik wil nog wel de arbeidsovereenkomst doornemen.(…)
[partij 2] heeft toen gezegd dat dat hij bij [bedrijf] was gaan werken. Toen kwam de vlam in de pan en kregen we te maken met een zeer ontstemde werkgever.
3.7.
De kantonrechter overweegt dat de verklaringen van [partij 2] en [persoon 3] tijdens het getuigenverhoor niet alleen op zichzelf logisch en consequent zijn, maar ook in onderlinge samenhang. De verklaringen bevestigen elkaar zonder dat er aanwijzingen zijn dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Bovendien zijn deze getuigenverklaringen in lijn met eerdere verklaringen die [partij 2] en [persoon 3] hebben afgelegd. Zo staat al in een e-mailbericht van [partij 2] aan [persoon 2] van 27 mei 2024 “
We hebben gezamenlijk bestanden van mijn vriendin haar laptop verwijderd. Verder hebben we vastgesteld dat er geen bestanden waren geopend. Dit probleem is inmiddels opgelost(…).” En in een schriftelijke verklaring van [persoon 3] van 15 oktober 2024 staat: “
Hierna werden alle bestanden verwijderd en werd de prullenbak leeg gemaakt. Daarna is gevraagd of hiermee het probleem uit de wereld was, waarop [persoon 2] bevestigend antwoordde. Het was derhalve opgelost, waarna [persoon 2] het belangrijk vond om nog een keer door zijn arbeidscontract heen te gaan. Hier kwam ook het concurrentiebeding aan bod.(…)
De sfeer draaide gelijk(…)”.
3.8.
Tegenover deze verklaringen staat de getuigenverklaring van [persoon 2] . Hij verklaarde tijdens het getuigenverhoor onder meer het volgende: “
U geeft aan dat volgens die verklaringen dat vader de vraag zou hebben gesteld of het nu was opgelost. Die vraag werd gesteld nadat de bestanden waren verwijderd. Ik zou daar volgens hen ja op hebben geantwoord. Dat is niet waar. De vraag is niet gesteld en ik heb ook geen bevestigend antwoord gegeven.
3.9.
Deze verklaring van [persoon 2] oordeelt de kantonrechter minder geloofwaardig dan de verklaringen van [partij 2] en [persoon 3] . De betreffende verklaring van [persoon 2] wordt namelijk in mindere mate ondersteund door andere verklaringen dan de verklaring van [partij 2] en de verklaring van [persoon 3] . Weliswaar hebben [persoon 4] en [persoon 5] ook verklaringen afgelegd, maar die verklaren ten aanzien van de bewijsopdracht feitelijk niet meer dan dat ze het zich niet meer kunnen herinneren. De getuigenverklaring van [persoon 2] wordt ook niet of in mindere ondersteund door eerdere (schriftelijke) verklaringen. Integendeel, in een e-mailbericht van [persoon 2] 2 juni 2024 schrijft [persoon 2] het volgende: “
We hebben je gevraagd wat je na het dienstverband bij ons ging doen en toen heb je gezegd dat je dit niet wist. Gezien het feit dat je een week later al bij [bedrijf] aan de slag bent, moet je op dat moment allang aangenomen zijn of op zijn minst al in de sollicitatieprocedure hebben gezeten. Dat betekent dat je recht in het gezicht van je collega’s hierover hebt gelogen.(…)
Dit plaatst het kopiëren van onze plannen, klantgegevens en wachtwoorden ook in een heel ander daglicht.” Dit ondersteunt naar het oordeel van de kantonrechter de verklaring van [partij 2] en [persoon 3] dat er eerst een oplossing was voor de kwestie met de bestanden, maar dat de sfeer en opstelling van [persoon 2] (pas) omsloeg toen later tijdens het gesprek van 22 mei 2024 de kwestie van [bedrijf] aan de orde kwam.
3.10.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [partij 2] geslaagd is in de bewijsopdracht. Oftewel, (mede) op basis van de getuigenverklaringen staat het naar het oordeel van de kantonrechter met een redelijke mate van zekerheid vast dat [persoon 2] tijdens het gesprek op 22 mei 2024 (nadat de bestanden ter plekke waren verwijderd) heeft gezegd dat de kwestie met de bestanden was afgewikkeld. Daarmee heeft [partij 1] naar het oordeel van de kantonrechter – en met verwijzing naar het tussenvonnis van 26 maart 2025 – haar recht verwerkt om alsnog een boete te vorderen van [partij 2] wegens schending van het geheimhoudingsbeding door de bestanden te versturen en downloaden. Daarom zal de betreffende vordering van [partij 1] worden afgewezen. In het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft de kantonrechter al gemotiveerd overwogen dat ook de door [partij 1] gevorderde betaling van een boete wegens schending van het concurrentiebeding zal worden afgewezen.
3.11.
[partij 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
3.535,00
(3,5 punten × € 1.010,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.679,00
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
3.13.
Zoals de kantonrechter in het tussenvonnis van 26 maart 2025 gemotiveerd heeft overwogen zal de (subsidiaire) vordering van [partij 2] om het concurrentiebeding te vernietigen worden toegewezen.
3.14.
[partij 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × factor 0,5 × € 288,00)
Totaal
288,00
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [partij 1] af,
4.2.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 3.679,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.4.
vernietigt het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen,
4.5.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
4.8.
veroordeelt [partij 1] tot betaling van de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9.
veroordeelt [partij 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de hiervoor vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.