Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4604

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
BRE 24/5383 t/m 24/5393
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij NiNbi-beschikkingen 2010-2020

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen beschikkingen Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) over de jaren 2010 tot en met 2020. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren over 2017 tot en met 2019 reeds eerder zijn behandeld in een bezwaarprocedure, waardoor een tweede bezwaar niet mogelijk is.

Voor de jaren 2010 tot en met 2016 en 2020 zijn de bezwaren te laat ingediend. De wettelijke termijn van zes weken is ruimschoots overschreden en belanghebbende heeft geen verontschuldigbare redenen voor de termijnoverschrijding gegeven. De rechtbank wijst erop dat een uitspraak over 2018 en het vermeende gebrek aan actie van de Belastingdienst na die uitspraak geen reden is om een te late indiening alsnog te verontschuldigen.

De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart de beroepen daarom ongegrond en laat de bestreden besluiten in stand. Tevens is het beroep tegen de afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk verklaard omdat eerst bezwaar moet worden gemaakt, tenzij partijen instemmen met direct beroep, wat hier niet het geval is.

Uitkomst: De bezwaren tegen de NiNbi-beschikkingen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en eerdere bezwaarprocedures, waardoor de beroepen ongegrond zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/5383 t/m 24/5393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Hongarije), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 mei 2024. De beroepen zien op de beschikkingen Niet in Nederland belastbaar inkomen (hierna: NiNbi) over de jaren 2010 tot en met 2020.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank constateert dat met betrekking tot de beschikkingen 2017 tot en met 2019 reeds een bezwaarprocedure is doorlopen en de bezwaren om die reden niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren over de beschikkingen 2010 tot en met 2016 en 2020 te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2017 tot en met 2019 – Tweede bezwaarprocedure niet mogelijk
3. De rechtbank constateert dat met betrekking tot de beschikkingen 2017 tot en met 2019 reeds eerder een bezwaarprocedure is doorlopen. De wettelijke regeling biedt geen ruimte om twee keer bezwaar in te stellen. De inspecteur heeft de bezwaren daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, ook al is het op andere gronden. Daarom zijn deze beroepen kennelijk ongegrond.
2010 tot en met 2016 en 2020 – Overschrijding bezwaartermijn
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
4.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
4.2.
De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank overweegt dat de laatste dag van de bezwaartermijn, gelet op de dagtekening van de beschikkingen en de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, 19 januari 2012 (2010), 17 oktober 2012 (2011), 18 juli 2013 (2012), 22 januari 2016 (2013), 3 februari 2017 (2014), 21 april 2017 (2015), 14 mei 2018 (2016) en 31 december 2021 (2020) is. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 11 december 2023 ontvangen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was toen ruimschoots verstreken.
4.3.
De rechtbank heeft belanghebbende bij brieven van 27 februari 2025, 25 juli 2025 en 11 augustus 2025 gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding in bezwaar. Belanghebbende heeft op 13 augustus 2025 hierop gereageerd. Daarin geeft belanghebbende te kennen dat de Belastingdienst na de uitspraak van de rechtbank in 2022 niets deed. Dit betreft de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2022 over het jaar 2018. [5] De rechtbank overweegt dat de uitspraak van de rechtbank en de omstandigheid dat de inspecteur naar aanleiding daarvan volgens belanghebbende geen (of onvoldoende) actie heeft ondernomen voor de andere jaren, een omstandigheid is die is opgekomen ver na het einde van de bezwaartermijn. Dit leidt er niet toe dat een inmiddels plaatsgevonden niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. [6] Belanghebbende heeft geen overige redenen gegeven voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken. De bezwaren over de beschikkingen 2010 tot en met 2016 en 2020 zijn terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond.
Ambtshalve beslissing
5. De inspecteur heeft in de brief van 30 mei 2024 de bezwaren van belanghebbende tevens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en de verzoeken afgewezen. Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat het tevens is gericht tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering. Tegen deze ambtshalve beslissing moet echter als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Dit is anders indien partijen instemmen met direct beroep (prorogatie).
5.1.
Belanghebbende heeft aangegeven niet akkoord te gaan met rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft daarom alleen de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren beoordeeld en niet ook de beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering. De rechtbank heeft het beroepschrift mede aangemerkt als bezwaarschrift tegen de beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering en de inspecteur op 10 april 2026 opgedragen om de bezwaren in behandeling te nemen.

Conclusie en gevolgen

6. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062.