ECLI:NL:RBZWB:2026:4609

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/4258
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 13 Beleidsregels nul-emissiezone TilburgArt. 86e RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontheffing nul-emissiezone bedrijfsauto wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres heeft een ontheffing aangevraagd voor haar bedrijfsauto, die valt onder emissieklasse 4, om de nul-emissiezone in Tilburg te mogen betreden. Het college heeft dit verzoek afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of het college terecht geen ontheffing heeft verleend op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels nul-emissiezone Tilburg, in samenhang met artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel vereist dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering rechtvaardigen. Eiseres voerde aan dat haar bedrijfsauto noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, dat de bestuurder op leeftijd is en niet kan wennen aan elektrisch rijden, en dat de aanschaf van een Euro 5/6-voertuig geen reëel alternatief is.

De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden niet bijzonder zijn, omdat veel ondernemers in een vergelijkbare situatie verkeren. Het college heeft terecht geoordeeld dat het verlenen van een ontheffing zou leiden tot oneerlijke concurrentie en een ongelijk speelveld. Ook is het besluit niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, aangezien het college voldoende heeft gemotiveerd waarom geen ontheffing is verleend.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 26 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen ontheffing te verlenen voor de bedrijfsauto in de nul-emissiezone is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college het besluit van 18 februari 2025 heeft gehandhaafd. Eiseres voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden geen ontheffing ten behoeve van de bedrijfsauto van eiseres voor de nul-emissiezone heeft verleend. Het bestreden besluit is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 2 juli 2024 heeft het college een verkeersbesluit genomen, waarbij een nul-emissiezone voor de gemeente Tilburg is ingesteld. De nul-emissiezone is ingevoerd per 1 januari 2025. Deze wordt aangegeven met verkeersbord C22c van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990), Daarbij heeft het college ook een ontheffingenbeleid vastgesteld. [1]
Door de invoering van de nul-emissiezone is het voor emissie-uitstotende bedrijfs- en vrachtauto’s niet langer toegestaan om deze zone binnen te rijden. Dit is vastgelegd in artikel 86e van het RVV 1990. Op grond van het derde lid van dit artikel is de geslotenverklaring (van het eerste lid) tot en met 31 december 2026 niet van toepassing op bedrijfsauto’s met emissieklasse 5. In artikel 86e, vierde lid, van het RVV 1990 is bepaald dat deze niet geldt tot en met 31 december 2027 voor bedrijfsauto’s met minimaal emissieklasse 6. Dit betekent dat voertuigen met emissieklasse 4 of lager per 1 januari 2025 geen toegang meer hebben tot het aangegeven gebied binnen de gemeente Tilburg .
2.1.
Op 11 januari 2025 heeft eiseres, gevestigd aan de [adres] in [plaats] , een ontheffing aangevraagd op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels voor de nul-emissiezone ten behoeve van haar bedrijfsauto. Deze bedrijfsauto valt onder emissieklasse 4.
2.2.
Het college heeft op 18 februari 2025 het besluit genomen om de ontheffing niet te verlenen (het primaire besluit).
2.3.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.4.
Het college heeft op 9 juli 2025 het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Het primaire besluit is daarmee gehandhaafd.
2.5.
Eiseres heeft hier op 20 augustus 2025 beroep tegen ingesteld.
2.6.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens eiseres [persoon 1] deelgenomen. Namens het college waren mr. R.S. Vonk en mr. M.A. Wouters aanwezig.
2.8.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Ontheffing op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels
3. Uit artikel 13, eerste lid, van de Beleidsregels volgt dat het college overeenkomstig artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op aanvraag op kenteken ten gunste van een aanvrager een ontheffing kan verlenen wegens bijzondere omstandigheden die bij het opstellen van het beleid niet zijn voorzien of als toepassing ervan gevolgen heeft voor de aanvrager die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen.
Bij deze afweging neemt het college op grond van het derde lid in ieder geval de volgende omstandigheden mee:
  • de noodzaak om in de nul-emissiezone te rijden met het betreffende voertuig en de voorhanden zijnde alternatieven;
  • de te verwachten frequentie van het aantal ritten in de nul-emissiezone.
3.1.
Eiseres stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college ten behoeve van haar bedrijfsauto een uitzondering moet maken op de gelding van de nul-emissiezone. Daarbij voert eiseres aan dat haar bedrijfsauto noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Eiseres is namelijk gevestigd binnen de nul-emissiezone en meerdere malen per week moeten zware goederen ter plaatse worden ingeladen. Daarnaast wordt de bedrijfsauto gebruikt door [persoon 2] , die op leeftijd is en niet meer zal wennen aan het gebruik van een elektrisch voertuig. Na twee jaar neemt [persoon 1] het bedrijf over en zal een elektrisch voertuig worden aangeschaft. De aanschaf van een Euro 5-6-voertuig ziet eiseres niet als een reëel alternatief. De investering leidt voor de onderneming tot hoge lasten, terwijl het beoogde effect in de praktijk nihil is doordat het voertuig binnen afzienbare tijd wordt vervangen door een elektrisch exemplaar. Het bedrijfseconomische belang van eiseres zou naar de mening van eiseres aanzienlijk zwaarder moeten wegen dan het marginaal te behalen milieudoel.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat wat eiseres ter zitting heeft aangevoerd over de korte actieradius en de hoge aanschafkosten van een elektrische voertuig in verhouding tot het rendement, buiten het geding vallen. Dat geldt ook voor het door eiseres op zitting toegelichte standpunt dat een langere ontheffing moet worden verleend dan in de aanvraag werd beoogd. Dit zijn namelijk omstandigheden die niet eerder in het geding zijn ingebracht. De omstandigheden moeten in het kader van een nieuwe aanvraag worden ingebracht, zodat het college deze kan toetsen en daarover een besluit kan nemen.
3.3.
Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de door eiseres ingebrachte omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 13 van Pro de Beleidsregels, omdat veel ondernemers in de situatie van eiseres verkeren. Het geldt voor een brede groep ondernemers dat de bedrijfsauto noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, dat liever het huidige voertuig nog even gebruikt wordt en dat in de toekomst een overstap naar een elektrisch voertuig gepland staat. Het verlenen van een ontheffing zou volgens het college leiden tot een ongelijk speelveld en oneerlijke concurrentie, aangezien andere ondernemers reeds hebben geïnvesteerd in voertuigen die voldoen aan de eisen van de nul-emissiezone. Verder is ook meegewogen dat de onderneming met de pensionering van [persoon 2] niet beëindigd wordt.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat dat de verlening van een ontheffing op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels overeenkomstig artikel 4:84 van Pro de Awb moet geschieden. Deze laatstgenoemde bepaling bepaalt dat een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Een toets aan artikel 4:84 van Pro de Awb wordt gezien als een toets aan het evenredigheidsbeginsel.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg met zich mee dat de jurisprudentie over artikel 4:84 van Pro de Awb ook van toepassing op artikel 13 van Pro de Beleidsregels. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over artikel 4:84 van Pro de Awb volgt dat onder bijzondere omstandigheden zowel wel als niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden zijn begrepen. [2] Het bestuursorgaan moet allereerst beoordelen of de aangedragen omstandigheden relevant zijn, om vervolgens te beoordelen of de relevante bijzondere omstandigheden hem aanleiding geven af te wijken van de beleidsregel.
3.6.
Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de Beleidsregels. Deze zijn dan ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank komt de toets aan artikel 13 van Pro de Beleidsregels in feite neer op een rechtstreekse toets van het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Het beroep houdt namelijk alleen in dat toepassing van de Beleidsregels in het voorliggende geval onevenredig uitpakt en daarom buiten toepassing moet blijven. [3] Dit betekent dat alleen de evenwichtigheid van het bestreden besluit getoetst dient te worden. [4] Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. [5]
3.7.
De rechtbank constateert dat het college in de motivering bij het bestreden besluit zowel de noodzaak om in de nul-emissiezone te rijden met het betreffende voertuig en de voorhanden zijnde alternatieven als de te verwachten frequentie van het aantal ritten in de nul-emissiezone in aanmerking heeft genomen. Het college heeft in ieder geval de in het derde lid van 13 van de Beleidsregels genoemde omstandigheden meegewogen.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank verder op goede gronden geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en daarmee het bestreden besluit niet onredelijk bezwarend is. Alle in de binnenstad gevestigde bedrijven zullen aan deze regelgeving moeten voldoen en eventueel kosten moeten maken. Dat eiseres kosten moet maken voor het aanschaf van vervoer is een omstandigheid die alle ondernemers treft. De omstandigheid dat eiseres de auto nodig heeft voor haar bedrijfsvoering geldt ook voor alle vergelijkbare ondernemers. Het college mocht concluderen dat de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat deze regel buiten toepassing moet worden gelaten. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat [persoon 2] op leeftijd is en niet meer met een elektrisch voertuig om kan gaan. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
3.8.
Hiermee heeft de rechtbank ook het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel getoetst. Deze toets is zoals gezegd al in artikel 4:84 van Pro de Awb die in artikel 13 van Pro de Beleidsregels opgenomen.
Motiveringsbeginsel
4. Eiseres is van mening dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is, omdat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de aanschaf van een Euro 5/6-voertuig een “geringe investering” is die voor de onderneming “ gemakkelijk te financieren” is. Eiseres stelt dat de aanschaf van een dergelijk voertuig voor een kleine onderneming een substantiële kostenpost is. Daarbij komt kijken dat de aanschaf van een dergelijk voertuig geen reëel alternatief is, omdat deze slechts van geslotenverklaring van de emissiezone zijn vrijgesteld tot 31 december 2026 (klasse 5) en 31 december 2026 (klasse 6).
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met motiveringsbeginsel. Het gaat erom dat het college voldoende heeft onderbouwd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor een ontheffing. Het college heeft uitgelegd waarom er geen uitzondering kon worden gemaakt voor eiseres. Dat eiseres hierdoor geen gelijk krijgt, wil niet zeggen dat het weigeren van de ontheffing niet voldoende gemotiveerd is

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden geen ontheffing ten behoeve van de bedrijfsauto van eiseres op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels voor de nul-emissiezone heeft verleend. Het bestreden besluit is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt ze geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 26 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.De Beleidsregels nul-emissiezone Tilburg 2025 (hierna: de Beleidsregels).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4652.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3000.
4.Zie de uitspraak van de grote kamer van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3000.