ECLI:NL:RBZWB:2026:4689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
12061172 \ RR FORM 26-3 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:672 lid 5 BWArt. 6:225 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling ingehouden loon en bonus bij nulurencontract na opzegging

Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst op basis van een nulurencontract. Werknemer had zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en was vanaf 1 december 2025 niet meer beschikbaar voor werk. Werkgever hield met terugwerkende kracht bonussen en telefoonvergoedingen in die eerder waren uitbetaald over de maanden augustus, september en oktober 2025.

Werkgever beriep zich op een discretionaire bonusregeling in de arbeidsovereenkomst en het huishoudelijk reglement, waarin stond dat bonussen zonder opgaaf van reden kunnen worden ingetrokken. De kantonrechter oordeelde dat deze bepaling in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is, omdat werknemer zich als goed werknemer had gedragen en zelfs langer had doorgewerkt dan wettelijk verplicht.

Daarnaast had werkgever werknemer onjuist geïnformeerd over de duur van de arbeidsovereenkomst, wat kwalijk werd bevonden. Er was geen geldige regeling getroffen over een betalingsregeling van € 250,00, omdat werknemer dit aanbod onder voorwaarden deed die niet werden nagekomen.

De kantonrechter veroordeelde werkgever tot betaling van het ingehouden bedrag plus wettelijke verhoging en tot vergoeding van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en er staan geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Werkgever is veroordeeld tot betaling van het ingehouden loon en bonus met wettelijke verhoging en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12061172 \ RR FORM 26-3
Vonnis van 27 mei 2026 in de experimentele procedure bij de regelrechter
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
procederend in persoon,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. [werknemer] vordert betaling van loon. [werkgever] voert als verweer dat zij het recht had om een deel van het loon van [werknemer] in te houden. De kantonrechter volgt [werkgever] daarin niet. Hieronder legt de kantonrechter het oordeel nader uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 20 januari 2026 ontvangen aanvraagformulier met bijlagen;
- de op 24 maart 2026 en 14 april 2026 ontvangen aanvullende bijlagen van [werknemer] ;
- het op 17 april 2026 ontvangen bericht met bijlage van [werkgever] ;
- de mondelinge behandeling van 22 april 2026.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat dit vonnis er zou komen.

3.De feiten

3.1.
[werknemer] heeft bij [werkgever] gewerkt op basis van een nulurencontract. Op 3 november 2025 heeft [werknemer] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd met de mededeling dat hij vanaf 1 december 2025 niet meer beschikbaar is voor werk.
3.2.
In de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende:

Oproepkracht kan los van het salaris als genoemd in lid 4, maandelijks aanspraak maken op een discretionaire bonus als wordt voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarden welke zijn opgenomen het "Huisreglement [werkgever] " van Werkgever.
3.3.
In het huishoudelijk reglement staat onder meer het volgende:

Werknemer zal een maandelijkse discretionaire bonus kunnen ontvangen als hij zich tijdens een kalendermaand niet ziek heeft gemeld tijdens afgesproken werkdagen, niet afwezig is zonder goedkeuring van werkgever op afgesproken werkdagen en zich als een 'goed werknemer' zal gedragen. Deze bonus zal verdeeld worden in een telefoonvergoeding van 0.25 euro per gewerkt uur en een bruto bonus van 0.75 euro per gewerkt uur. Werkgever kan altijd zonder opgaaf van reden besluiten de bonus niet uit te keren of met terugwerkende kracht een al uitbetaalde bonus in te houden van Werknemer.
3.4.
Zoals staat vermeld op de laatste salarisspecificatie heeft [werkgever] een bedrag van € 359,44 ingehouden ter zake van:
  • Bonus (BT) € 147,50 (€ 65,50 + € 36,50 + € 45,50)
  • Telefoonvergoeding € 147,50 (€ 65,50 + € 36,50 + € 45,50)
  • Fooi € 64,44 (€ 29,13 + € 11,73 + € 23,58)
Totaal € 359,44
3.5.
Voormelde ingehouden bedragen waren eerder uitbetaald door [werkgever] bij het loon over augustus 2025, september 2025 en oktober 2025.

4.Het geschil

4.1.
[werknemer] vordert betaling van het ingehouden loon tot een bedrag van € 351,06, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf 10 december 2025 ter hoogte van € 143,93.
4.2.
[werkgever] voert verweer.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [werkgever] gerechtigd was om de reeds uitbetaalde looncomponenten ‘Bonus (BT)’, ‘Telefoonvergoeding’ en ‘Fooi’ met terugwerkende kracht in te houden. Volgens [werkgever] is dat het geval. Zij beroept zich in dat kader op het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en het huishoudelijk reglement, zoals hiervoor geciteerd onder 3.2. en 3.3.
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werkgever] verklaard dat zij ervoor gekozen heeft de discretionaire bonus met terugwerkende kracht in te houden, omdat [werknemer] onvoldoende rekening had gehouden met de opzegtermijn. Daarbij wijst [werkgever] erop dat haar werknemers vier weken vooruit worden ingeroosterd. Toen de kantonrechter [werkgever] erop wees dat [werknemer] nog vier weken gewerkt heeft sinds zijn opzegging, gaf [werkgever] aan dat er begin november 2025 al meer dan vier weken vooruit was gepland.
5.3.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Aangezien [werknemer] werkzaam was bij [werkgever] op basis van een nulurencontract bedroeg de opzegtermijn voor [werknemer] op grond van artikel 7:672 lid 5 BW Pro slechts vier dagen. Desondanks heeft [werknemer] na zijn opzegging op 3 november 2025 maar liefst vier weken (de gebruikelijke planningstermijn) doorgewerkt tot en met het einde van de maand, en dus veel langer dan waartoe hij wettelijk gezien verplicht was. Uit de overgelegde correspondentie volgt verder dat [werkgever] [werknemer] onjuist heeft voorgelicht door mee te delen dat zijn arbeidsovereenkomst doorloopt tot en met 31 december 2025 en dat [werkgever] verwachtte dat [werknemer] die hele periode zou uitwerken. Dit is kwalijk.
5.4.
[werknemer] heeft in december 2025 niet meer gewerkt. Vervolgens heeft [werkgever] – zonder aankondiging – met terugwerkende kracht de in augustus 2025, september 2025 en oktober 2025 uitbetaalde bonussen (uitbetaald onder de noemers ‘bonus’, ‘telefoonvergoeding en ‘fooi’) ingehouden, zoals blijkt uit de laatste loonspecificatie. In dat kader beroept [werkgever] zich op de discretionaire bonusregeling uit de arbeidsovereenkomst en het huishoudelijk reglement, waarin is bepaald dat de werkgever altijd, zonder opgaaf van reden, kan besluiten met terugwerkende kracht een al uitbetaalde bonus in te houden van een werknemer.
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [werkgever] op deze bepaling in de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [werknemer] heeft zich immers als goed werknemer gedragen en is zelfs vele malen langer in dienst gebleven dan waartoe hij verplicht was. Het is juist [werkgever] die zich niet als goed werkgever heeft gedragen door [werknemer] eerst verkeerd voor te lichten en door vervolgens zonder een gegronde reden en zonder mededeling vooraf een groot bedrag op het loon van [werknemer] in te houden. Bovendien gaat het niet aan dat [werkgever] zich als werkgever een zodanige grenzeloze macht toekent dat al uitgekeerde bonussen zonder enige reden met onbeperkte terugwerkende kracht alsnog ingehouden kunnen worden.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de loonvordering van [werknemer] in beginsel toewijsbaar. Op grond van artikel 7:625 BW Pro is de gevorderde wettelijke verhoging eveneens toewijsbaar. [werkgever] voert echter nog als verweer dat partijen voorafgaand aan deze procedure een regeling hebben getroffen voor € 250,00. Dat wordt door [werknemer] betwist. Uit de overgelegde correspondentie volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat partijen met elkaar hebben onderhandeld, maar geen definitieve overeenkomst hebben gesloten. Weliswaar stemde [werknemer] in zijn e-mailbericht van 30 januari 2026 in met het door [werkgever] voorgestelde bedrag van € 250,00 bruto, maar daaraan stelde [werknemer] de voorwaarde dat het bedrag binnen zeven dagen moest zijn bijgeschreven, waarna hij de lopende procedure zou intrekken. Dat geldt op grond van artikel 6:225 BW Pro als een nieuw aanbod en als verwerping van het oorspronkelijke. [werkgever] heeft dat nieuwe aanbod niet aanvaard en heeft ook nagelaten om het voorgestelde bedrag te betalen. Kortom, er is geen overeenkomst tot stand gekomen. Daarom zal de vordering van [werknemer] worden toegewezen.
5.7.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de door [werknemer] gemaakte proceskosten (inclusief nakosten) vergoeden. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
0,00
- griffierecht
93,00
- verletkosten
50,00
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
186,50

6.De beslissing

De kantonrechter als regelrechter:
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het bedrag van € 494,99 (€ 351,06 + € 143,93),
6.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 186,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe door [werknemer] . Als [werkgever] niet op tijd betaalt en het vonnis daarom door een gerechtsdeurwaarder moet worden betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Tegen dit vonnis staan geen rechtsmiddelen open.