Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4692

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/2599
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeker niet-ontvankelijk wegens ontbreken eigen belang bij voorlopige voorziening beschermd wonen

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht verzoeker om een nieuwe of gewijzigde voorlopige voorziening tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen. Het verzoek betrof de uitvoering van een eerder getroffen voorlopige voorziening die het college verplichtte een maatwerkvoorziening beschermd wonen toe te kennen aan mevrouw cliënt.

Verzoeker stelde dat het college de voorziening niet uitvoert door het accorderen van de zorgovereenkomst te weigeren, waardoor betaling van de zorgkosten uitblijft. De voorzieningenrechter toetste eerst of verzoeker als belanghebbende kon worden aangemerkt, wat vereist is voor ontvankelijkheid.

De rechter oordeelde dat verzoeker geen eigen, persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij het besluit, omdat zijn belang uitsluitend voortvloeit uit de contractuele relatie met mevrouw cliënt en parallel loopt aan haar belang. Ook de doorwerking in andere procedures was te ver verwijderd van het besluit. Daarom is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een eigen, persoonlijk belang bij het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2599

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een nieuwe voorziening te treffen dan wel de eerder getroffen voorziening te wijzigen.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Een van de cliënten van verzoeker, mevrouw [cliënt], heeft in 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van het college van 4 september 2025. Met dat besluit was haar aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) buiten behandeling gesteld.
2.1
Met de uitspraak van 12 december 2025 [1] heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 september 2025 geschorst. In die uitspraak is verder bepaald dat het college aan mevrouw [cliënt] vanaf 16 oktober 2025 een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee vanaf dat moment de kosten van beschermd wonen en ondersteuning bij verzoeker kunnen worden voldaan.
2.2
Verzoeker heeft gesteld dat het college de voorlopige voorziening feitelijk niet uitvoert. Daarbij is toegelicht dat het college gekozen heeft voor de PGB/SVB-route, maar weigert om de noodzakelijke uitvoeringshandeling te verrichten, namelijk het accorderen van de zorgovereenkomst. Daardoor kan verzoeker niet declareren en betaald krijgen.
2.3
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht – kort en feitelijk gezegd – het college op te dragen te zorgen voor betaling binnen 48 uur.
Toetsingskader belanghebbendheid.
3. Voordat de voorzieningenrechter kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling of er een nieuwe of gewijzigde voorziening moet worden getroffen, moet de verzoeker aangemerkt kunnen worden als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit (of voorziening) [2] is betrokken. Waar hierna wordt gesproken over belanghebbende bij een besluit wordt daarbij ook bedoeld de belanghebbende bij een voorlopige voorziening.
3.1
De wetgever heeft de eis dat sprake moet zijn van een belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken mede gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan. [3]
3.2
Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit reeds daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde, los van die contractuele relatie, ook een zelfstandig, eigen belang heeft bij dat besluit, bijvoorbeeld in een andere hoedanigheid dan die van contractspartner. Een eigen, niet afgeleid belang kan ook bestaan vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad. [4]
3.3
Een afgeleid belang kan aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt aan dat van de aanvrager van een besluit en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met de aanvrager bij dat besluit is betrokken. [5]
Heeft verzoeker een eigen zelfstandig belang?
4. Uit het verzoekschrift is onvoldoende gebleken dat verzoeker een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang heeft. Zijn belang vloeit immers niet rechtstreeks voort uit het besluit van 4 september 2025, dat ziet op een aanvraag van mevrouw [cliënt]. Verder geldt dat zijn belang bij de getroffen voorlopige voorziening terug te brengen is tot de betaling van de kosten voor beschermd wonen. Dit belang vloeit uitsluitend voort uit de contractuele relatie die hij met mevrouw [cliënt] heeft, via een zorgovereenkomst, en loopt ook parallel met het belang dat mevrouw [cliënt] had bij de gevraagde voorziening.
De griffier heeft daarom bij brief van 8 mei 2026 aan verzoeker gevraagd om gemotiveerd aan te geven waarom hij van mening is dat hij een voldoende objectief en eigen belang heeft bij het besluit van 4 september 2025 en/of de getroffen voorziening.
4.1
Met de brief van 25 mei 2026 heeft verzoeker hierop gereageerd. In deze reactie is voornamelijk een toelichting gegeven op de spoedeisendheid. Aan de beoordeling van het spoedeisend belang kan echter pas worden toegekomen als verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt.
4.2
Uit de brief van 25 mei 2026 blijkt dat verzoeker is doorgegaan met het leveren van zorg aan mevrouw [cliënt], ervan uitgaande dat zijn financiële risico bij het leveren van die zorg in belangrijke mate is verminderd door de getroffen voorziening. Dat verzoeker een groot belang heeft bij betaling van de zorgkosten wil de voorzieningenrechter aannemen, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat dit onvoldoende is als onderbouwing dat verzoeker belanghebbende is. Ook hiermee is niet gebleken dat verzoeker, los van de contractuele relatie met mevrouw [cliënt], ook een zelfstandig, eigen belang heeft. De betaling voor geleverde zorg is immers uitsluitend terug te voeren op de contractuele relatie met mevrouw [cliënt].
4.3
Verder wordt in de reactie gesteld dat het belang ook is gelegen in de doorwerking van dit dossier in andere gemeentelijke procedures en rechtsgeschillen. Daarbij wordt verwezen naar een onderzoek van de Amsterdamse toezichthouder. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat dit echter in een ver verwijderd verband van het besluit of de eerder getroffen voorziening.
4.4.
Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 1.2 van de Awb.
Conclusie en gevolgen
5. Omdat verzoeker niet aangemerkt kan worden als belanghebbende bij het besluit van 4 september 2025 is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk zal beoordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorzieningenrechter Zeeland-West-Brabant 12 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8932
2.Artikel 8:87, tweede lid Awb
5.ECLI:NL:CRVB:2018:3474, vuistregel 4