Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, ondanks een eerdere uitspraak van de rechtbank die verweerder een beslistermijn tot 3 oktober 2025 gaf.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn hanteert. In dit geval is die termijn verstreken, zodat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €37.500. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de rechterlijke dwangsom uit de eerdere uitspraak vast te stellen of te handhaven, omdat dit onder de burgerlijke rechter valt.
Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 11 juni 2026.