ECLI:NL:RBZWB:2026:5186

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/2049, 23/2051 t/m 23/2069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:88 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank bij ambtshalve vermindering aanslagen en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1992 tot en met 2011 en tegen beslissingen op verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren over de jaren 1992 tot en met 1998 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Voor de jaren 1999 tot en met 2011 zijn de bezwaren als verzoeken om ambtshalve vermindering behandeld, maar deze verzoeken zijn afgewezen omdat zij buiten de vijfjaarstermijn zijn ingediend.

De rechtbank is onbevoegd om te oordelen over de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering en over het verzoek om materiële schadevergoeding. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De redelijke termijn van twee jaar is met circa 18 maanden overschreden, wat leidt tot een vergoeding van € 1.500,-. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 233,50.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de bestreden besluiten in stand blijven. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard, de rechtbank is onbevoegd voor ambtshalve vermindering en materiële schadevergoeding, maar kent immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/2049, 23/2051 t/m 23/2069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar en de overige beslissingen van de inspecteur van 10 februari 2023. De beroepen zien op de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1992 tot en met 2011 en de beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn en de rechtbank onbevoegd is de beslissing van de inspecteur om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen en de verzoeken om schadevergoeding te beoordelen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de bezwaren voor de jaren 1992 tot en met 1998 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat deze niet tijdig waren ingediend. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond. De rechtbank is niet bevoegd te oordelen over de beslissing van de inspecteur om de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 1992 tot en met 2011 af te wijzen. Verder is de rechtbank onbevoegd om te oordelen over het verzoek om een materiële schadevergoeding. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
1999 tot en met 2011 – Vooraf - Bezwaarprocedure reeds doorlopen
3. Belanghebbende heeft met dagtekening 1 december 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1999 tot en met 2011. Op 18 december 2020 is uitspraak op bezwaar gedaan. De wettelijke regeling biedt geen ruimte om twee keer de bezwaarprocedure te doorlopen. De inspecteur heeft de bezwaren daarom als verzoeken om ambtshalve vermindering in behandeling genomen.
1992 tot en met 1998 - Overschrijding bezwaartermijn
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
4.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaartermijn is verstreken. De rechtbank is niet gebleken van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden die tot gevolg hadden dat het bezwaarschrift na de termijn is ingediend. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende stelt in het beroepschrift dat een accountant medewerker bij een controle in 2018 heeft vastgesteld dat de berekening die ten grondslag lag aan de aanslagen vennootschapsbelasting niet juist was. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheid is opgekomen ver na het einde van de bezwaartermijn. Dit leidt er niet toe dat een inmiddels plaatsgevonden niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. [5] De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen daartegen zijn kennelijk ongegrond.
Alle jaren - Afwijzing verzoeken om ambtshalve vermindering
5. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering. De verzoeken zijn afgewezen omdat deze zijn ingediend buiten de vijfjaarstermijn. De beslissing van de inspecteur op een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag vennootschapsbelasting, betreft een beschikking als bedoeld in artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Tegen een dergelijke beschikking staat geen beroep open bij de belastingrechter. Beroep staat namelijk alleen open – voor zover van belang – tegen een beschikking die in de wet expliciet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Een beschikking op grond van artikel 65 van Pro de AWR is niet als zodanig aangemerkt. De rechtbank is dan ook onbevoegd. [6] Indien belanghebbende de rechtmatigheid van de beslissing van de inspecteur om de verzoeken niet in behandeling te nemen voor de aanslagen vennootschapsbelasting 1992 tot en met 2011 aan de rechter wil voorleggen, moet hij zich wenden tot de burgerlijke rechter. [7]
Verzoek om schadevergoeding
6. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding toe te kennen voor geleden materiële en immateriële schade. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld schade te hebben geleden als gevolg van de aanslagen vennootschapsbelasting 1992 tot en met 2011 kan, voor zover deze zijn opgelegd voor 1 juli 2013, alleen een schadevergoeding worden uitgesproken als de beroepen (gedeeltelijk) gegrond zijn. [8] Dat is hier niet aan de orde.
6.1.
Voor zover de aanslagen zijn vastgesteld na 1 juli 2013, bijvoorbeeld de aanslagen over 2010 en 2011, is de belastingrechter in dit geval ook niet bevoegd om het verzoek te beoordelen. Vereist is dat het gaat om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Hoewel belanghebbende van mening is dat de aanslagen onrechtmatig zijn, staat de rechtmatigheid van aanslagen in beginsel vast op het moment dat deze onherroepelijk zijn. Dit wordt de formele rechtskracht genoemd. Er bestaat alleen aanleiding om daarvan af te wijken als het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van de aanslag heeft erkend voordat de betreffende aanslag onherroepelijk is geworden. [9] In dit geval beroept belanghebbende zich echter op uitlatingen van de inspecteur van na het onherroepelijk worden van de aanslagen. Er is daarom niet aan de voorwaarden van artikel 8:88 van Pro de Awb voldaan. De rechtbank [10] en het gerechtshof [11] hebben dit ook al beslist in de eerdere procedure van belanghebbende.
6.2.
Als belanghebbende van mening is dat zij schade heeft geleden door de – volgens haar onrechtmatige – besluiten van de inspecteur om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen, is de belastingrechter ook onbevoegd. Zoals hiervoor is overwogen is de belastingrechter niet bevoegd om de rechtmatigheid van die besluiten te beoordelen. Zij is dan ook niet bevoegd om een verzoek om schadevergoeding in verband met die besluiten te beoordelen. [12]
6.3.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld schade te hebben geleden als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn gelden de hiervoor genoemde beperkingen niet. De rechtbank wijst dit verzoek toe. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar. De termijn vangt aan op het moment dat de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen, dus op 20 december 2022. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de beroepsfase. De vergoeding bedraagt € 500,- per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,-.
Proceskostenvergoeding
7. De rechtbank vindt in de toekenning van een immateriële schadevergoeding aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 233,50. [13] De rechtbank past een wegingsfactor van 0,25 toe, omdat uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat wegens een aan de belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [14]

Conclusie en gevolgen

8. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van de beroepen voor zover deze zien op de beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen vennootschapsbelasting. Ook is zij niet bevoegd om de verzoeken om materiële schadevergoeding te beoordelen.
8.1.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen. Om die reden wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen;
  • verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek om een vergoeding van materiële schade;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062.
6.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2016:1966.
7.Vgl. Hoge Raad van 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797 en de uitspraak van Hof
8.Dit volgt uit artikel 8:73 Awb Pro (oud).
9.Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1568.
10.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 november 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5633, r.o. 2.14.
11.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:483, r.o. 4.2.
12.Dit staat in artikel 8:88, tweede lid, Awb.
13.1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25.
14.Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECL:NL:HR:2023:1526.